Juli/augustus 2008, nr 301

Previously Unreleased

4:30
syndromes and a century
el cielo, la tierra y la lluvia
small gods
this is england
the savages
el aura


keane

Veel films gaan aan onze neus voorbij. Hoe onterecht dat soms is, bewijst het Filmmuseumprogramma Previously Unreleased, waarin niet uitgebrachte films alsnog een kans krijgen. Hoogtepunt: keane van Lodge Kerrigan.

keane.

Een man met een schichtige blik in de ogen struint door het immense busstation van New York, en duwt voorbijgangers een krantenknipsel onder ogen. "Heeft u mijn dochter gezien? Ze heeft een paars jasje aan met capuchon. Ze is hier afgelopen september gekidnapt." Een enkeling geeft antwoord, de meeste lopen door, doen alsof ze hem niet zien. Dit verdriet is te groot, daar wil je niet mee geconfronteerd worden.
keane is nog maar net begonnen en je bent al gebroken. Verslagen. Hoe zou jij reageren op een wildvreemde die je aanspreek op straat? Hoe zou ik reageren? Ook doorlopen: is niet mijn probleem, kan er toch niets aan doen. Of: hij zal wel gek zijn. En, nog erger: wat moet een gek met een klein meisje?
Al die vragen roept keane bij je op in de allereerste minuten, het grijpt je bij de strot om vervolgens niet meer los te laten. Ook na 90 minuten niet, als de aftiteling voorbij is gerold, zal je keane niet meer vergeten. Nooit meer. Schrijver en regisseur Lodge Kerrigan, bekend van de hoog gewaardeerde maar zelden geziene pijnlijke meesterwerken clean, shaven en claire dolan, heeft samen met hoofdrolspeler Damian Lewis een onvergetelijk monument opgericht voor eenzaamheid, verdriet en gekte.

Krassen
keane is een film over de allergrootste angst van iedere ouder, althans die van filmmaker Lodge Kerrigan: op een onbewaakt ogenblik je kind uit het oog verliezen en vervolgens nooit meer terugvinden. Een angst die vader Kerrigan zelf meerdere malen als een stomp in de maag heeft gevoeld, zo vertelde hij in diverse interviews. Een ouder op zoek naar een kind en daarmee naar geluk: het is een onderwerp dat hem niet kan loslaten. In zijn debuut clean, shaven (1993), dat krassen op je ogen, oren en ziel achterliet, zocht een schizofrene man naar zijn dochter. In claire dolan (1998) wil een hoer moeder worden in een grote stad zo koud dat je ogen vastvroren aan het doek. In god's hands werd ook een kind gekidnapt; helaas heeft niemand het resultaat ooit kunnen zien want deze film ging verloren tijdens de montage door schade aan het materiaal.
In het door Steven Soderbergh geproduceerde keane (2004), gemaakt van de miljoen dollar die de verzekering uitkeerde na het verlies van zijn vorige film, geeft Kerrigan aan zijn vaste onderwerp een nieuwe twist: wat gebeurt er met iemand die een groot verdriet moet verwerken maar geen enkel sociaal vangnet heeft om op terug te vallen? Kan een mens alleen zoiets verwerken? En: wat als hij ook nog eens weinig financiële middelen heeft om op terug te vallen?
Nee, eigenlijk kan dat niet. Maar het moet. William Keane (Damian Lewis), de man die de rafelranden van New York afstroopt op zoek naar zijn dochter, heeft geen keus. We volgen hem in 90 compacte, spannende en verpletterende minuten. De film is een aaneenschakeling van goede en zeer goede scènes. Een handvol is werkelijk onvergetelijk: de al genoemde opening; Keane in een volle bus die als een klein kind zijn tranen probeert te verbijten, omdat hij zich nog maar al te bewust is van zijn omgeving, en zich goed wil houden; Keane in een uitgestorven kroeg voor een jukebox die niet hard genoeg mag, "Turn up the music! Turn up the music! Turn up the music" tot in het oneindige herhalend tegen de barman, tegen zichzelf, tegen ons.

Zon
Dan is al wel duidelijk dat Keane nóg een probleem heeft: hij is geestesziek, schizofreen waarschijnlijk. Paranoïde om zich heen turend, pratend in zichzelf, misschien wel tegen de stemmen die hij hoort. En je gaat vanzelf twijfelen aan zijn verhaal: had hij wel een dochter? Is ze wel gekidnapt, of is ze bij hem weggehaald?
Van daklozen is bekend dat ze vaak lijden aan een combinatie van problemen: bijvoorbeeld én werkloos, én gescheiden, én ziek in hun hoofd. Maar dakloos is Keane niet, althans: nog niet. Hij heeft al wel die kenmerkende schaafwonden op zijn handen en de roodomrande ogen. Hij woont in een afgetrapt hotel, en kan net rondkomen van zijn uitkering. Want ook dáár gaat keane over: over armoede, en wat dat met een mens doet, hoe het afstompt en afmat.
In zijn hotel ontmoet Keane twee verloren zielen, ook slachtoffers van armoede die op de rand van een dakloos bestaan balanceren: de stugge alleenstaande moeder Lynn en haar ernstig kijkende dochtertje Kira. Hij leent haar wat geld, zij geeft hem te eten; een klein lichtpuntje van normaalheid en aardigheid. En opeens ontvouwt zich, als een zon die doorbreekt, een heel nieuw thema in de film: de 'kindness of strangers'. Deze scènes zijn van een vlinderzachte tederheid, zo kwetsbaar dat zelfs maar een blik van Keane het kan verbreken, en zijn gekte hem verraadt.
Lynn (een voortreffelijke verweerde rol van Amy Ryan, die dit jaar een Oscarnominatie kreeg voor haar rol als 'white trash'-moeder in Gone baby gone) vraagt Keane om haar dochtertje Kira (de aandoenlijke Abigail Breslin, die op haar 9e al een Oscarnominatie op zak had als little miss sunshine) op te halen van school, omdat ze op zoek moet naar werk, of haar man. Ze heeft natuurlijk geen geld voor opvang; dat is een 'middle class luxury', zegt Kerrigan in een interview. En dan verdwijnt de lichtheid en slaat het wantrouwen weer toe. Want Keane is heel lief voor haar, hij zou een goede vader zijn, maar zijn zijn motieven wel oprecht? Ziet hij haar niet als zijn eigen dochtertje?

Heipaal
Damian Lewis, de rossige Britse acteur die nog steeds vooral bekend is door een hoofdrol in de voortreffelijke WOII-serie band of brothers, is intens en hartverscheurend. Hij geeft Keane maniertjes, zonder maniëristisch te worden. Hij acteert van binnen naar buiten: eerst is er zijn verdriet, pas daarna de tikjes van een gestoorde geest: de draaiende ogen, spiedend naar zijn bespieders; de verbeten lip. En altijd die duistere blik in de ogen, een blik die suggereert dat hij in staat is tot dingen die het daglicht niet kunnen verdragen.

Net als in claire dolan geeft Kerrigan opnieuw de grote stad een hoofdrol. De arrogante en ijskoude spiegelpuien van het financiële centrum uit die film zijn vervangen door onder- en achterkant van de stad. Is sex and the city de catwalk van New York, dan is keane het Leger des Heils. Geen penthouses maar openbare toiletten; geen cocktailbars maar alcoholistencafe's. Geen designerwinkels maar fletsgekleurde malls.
En altijd maar het gedreun van verkeer, als een heipaal op de achtergrond. De stad is te vol of te leeg. Een enkele keer is Keane in een drukke winkelstraat, maar meestal bevindt hij zich aan de achterkant van de stad, in lege straten badend in onnatuurlijk blauw licht, of op een smalle strook gras tussen de snelwegen.

Vingernagel
Altijd is hij in beeld; er is letterlijk geen shot zonder Keane. Gevangen in het kader lijkt het wel; Kerrigan geeft hem geen vrijheid. En geen rust: de handheld camera staat nooit stil. En nooit is er een overzichtshot, nooit krijgt Keane de ruimte, hij zit opgesloten in medium shots of close-ups. Eenzaam, rusteloos, claustrofobisch en zonder overzicht: net als Keane's kop. Je zit in zijn hoofd, zonder trucjes, zonder verstoorde of gefilterde beelden en zonder extra geluiden. Zoals in clean, shaven.
clean, shaven kon je met ogen dicht kijken. Zo nadrukkelijk, en zo goed was de geluidsband (en zo verschrikkelijk is het soms om aan te zien). Peter Winter, de schizofreen die door een afgekloven niemandsland trekt op zoek naar zijn dochter, hoorde constant geluiden: iets dat klinkt als een boze politieke toespraak maar dan een octaaf verlaagd; kinderstemmen die zingen of krijsen of huilen of allemaal tegelijk. Als Peter, die denkt dat er een radiozender in zijn hoofd zit en een microfoon in zijn nagel, met een mes een stuk scalp verwijdert, knettert er static op de geluidsband.
Toch is keane een nog betere film dan clean, shaven. Want wat in clean, shaven met messen en paukenslagen moet, gaat in keane vanzelf. Kerrigan heeft geen propvolle geluidsband meer nodig, geen horrorscènes waarin een vingernagel met een mes wordt uitgesneden.
Peter Greene spéélde de gekte, met tics, trekkende bekken, angstig opengesperde ogen; Damian Lewis heeft alleen zijn gezicht nodig als palet voor waanzin en verdriet. clean, shaven gaat van buiten naar binnen, keane van binnen naar buiten. Dat maakt keane misschien gepolijster en minder rauw, maar je zou ook kunnen zeggen volwassener.
Kerrigan bereikt in keane waar hij in clean, shaven nog een overdaad aan middelen voor nodig had: de kijker treedt binnen in iemands hoofd. Dat is normaal in de literatuur maar zeldzaam in de cinema. Maar als het dan een keer lukt, dan is het effect ook overrompelend, omdat zintuigen en verbeelding een onverwoestbaar verbond aan gaan.

Rik Herder

keane (Lodge Kerrigan, 2004, VS). Distributie: De Filmfreak. Te zien: van 14 t/m 20 augustus in het Filmmuseum Amsterdam en vanaf 14 augustus in Filmhuis Den Haag.

Op 18 augustus geeft Rik Herder in het Filmmuseum een inleiding op keane.


4:30

Noedels en schaamhaar

Ook te zien in het programma Previously Unreleased: het droge, laconieke 4:30 van Royston Tan.

Royston Tan, was dat niet die olijke jongeman die dit jaar op het Filmfestival Rotterdam zijn Singaporese hit 881 aankondigde als een ode aan slechte muziek en slechte dans? Wie zich toen liet verrassen door die aanstekelijke kitsch en camp zal nu bij het zien van Tans eerdere 4:30 opnieuw met de ogen knipperen. Zo uitbundig als 881 was, zo ingetogen is deze sobere maar liefdevolle studie van een jongetje dat telkens om half vijf in de ochtend de wekker hoort gaan.
In die allerstilste schemering gaat het kind energiek op onderzoek uit. Bij het licht van zijn mobieltje snuffelt hij in de spullen van de man die in de aangrenzende kamer op bed is neergeploft. Op weg naar school plaagt hij gymnastiekende bejaarden en rent vlug weg. In de klas ligt hij dan weer half te slapen of geeft de verkeerde antwoorden. Toch heeft hij op een dag een opstel geschreven dat in al zijn eenvoud hevig ontroert. Hij heeft gefantaseerd dat die vreemde man in huis zijn vader is, zijn held. De juf heeft het niet gehoord. Ze bitst boos dat hij zich niet aan de opdracht heeft gehouden. Het moest 300 woorden zijn. 150 is te weinig. Hup, daar staat hij weer op de gang.
Het beweeglijke jongetje ligt voortdurend overhoop met zijn omgeving - met de stilte van de nacht, met de regels van volwassenen, met de anonieme orde van een plein vol mensen in strak gelid. Het is niet moeilijk om in het kind het alter ego te zien van de filmmaker die een paar jaar daarvoor ernstig overhoop lag met de censuur. Dat was naar aanleiding van zijn eerste speelfilm 15 over de jongerencultuur.

De droge, laconieke stijl van 4:30 sluit nauw aan bij het Aziatisch minimalisme zoals dat ook door de Taiwanese filmmaker Tsai Ming-liang wordt beoefend. Je moet er een beetje gevoel voor hebben, want verhaal is er nauwelijks in deze film die is opgebouwd als een serie momentopnamen - soms slapstickachtig, soms triest.
Langzaam vallen die fragmenten als puzzelstukjes op hun plaats. Die vreemde man schijnt een Koreaanse oom te zijn die geen Chinees spreekt. Vandaar dat alles vrijwel zonder woorden gaat. De moeder is permanent afwezig. Soms belt ze om te zeggen dat ze het druk heeft. Er is een doormidden gescheurde foto van de man met een meisje. Er is een mislukte poging tot zelfmoord, er is liefdesverdriet. De jongen heeft een geheim dagboek waarin hij zijn verzamelde schatten plakt, zoals een in het bad gevonden schaamhaar of een stukje uit zijn hemd waar een opgedroogde traan op zit. Snap je eenmaal hoe het zit dan kan een simpel beeld van een kom noedels en een glas sap op de kale ontbijttafel veel betekenen. Langzaam naderen die jongen en de man elkaar tot ze naast elkaar in het kale trappenhuis zitten. Dan zijn al die herhalingen en variaties uitgegroeid tot een subtiele studie van eenzaamheid waarin gedeeld verdriet het hoogst haalbare lijkt.

Leo Bankersen

4:30 (Royston Tan, 2006, Singapore). Distributie: Filmmuseum. Te zien: vanaf 17 juli.


Apichatpong Weerasethakul over syndromes and a century

Wat een geschenk dat de meest toegankelijke film van Joe-met-de-lange-naam Apichatpong Weerasethakul toch nog dankzij het Filmmuseum-programma Previosuly Unreleased in de Nederlandse filmtheaters te zien is. De regisseur van syndromes and a century in Wenen: "Met deze film kom ik uit het jungleduister van tropical malady terecht in het volle zonlicht."

Apichatpong Weerasethakul (foto: Kris Dewitte).

"Film is herinnering", zei de Thaise regisseur Apichatpong Weerasethakul ter gelegenheid van syndromes and a century tijdens het New Crowned Hope-festival in Wenen. De film is een verkwikkende ode aan het leven van zijn ouders, een liefdesgeschiedenis, een meditatie over tijd en herinnering. Maar wat je vooral bijblijft, is het licht. Het licht van de zon dat in de openingsshot door de bladeren wordt gefilterd, als een letterlijk verlichte variant op de slotshot van zin vorige film tropical malady uit 2004. Vooral fascinerend (vervreemdend, hypnotiserend) is een lange camerabeweging in het mortuarium van het ziekenhuis waar de film gemaakt is: door griezelig onaards sciencefictionlicht zoomt de camera in op de opening van een buis, die zwart als een artificiële zonsverduistering al het licht lijkt op te slokken, terwijl een muzikale brom ook de toeschouwer van zijn stoel optilt, losmaakt van de zwaartekracht en even in het luchtledige al tussen zijn en niet-zijn laat zweven

Moeten we het als we over deze film gaan praten eerst over licht of over herinneringen gaan hebben?
Over herinneringen. Nee over licht. Nee, toch maar over herinneringen, want film is altijd herinnering. Film is vastgelegd licht uit het verleden. Wetenschappelijk gezien is het licht uit het verleden dat je hebt opgenomen, dat op het filmmateriaal is neergeslagen. En als je dat in het bioscoopduister vertoont zie je deze beelden weer tot leven komen, als herinneringen. De film is een herinnering aan het maken van de film, wat ook weer vaak een manier is om herinneringen tot leven te laten komen. Dat zijn primaire menselijke ervaringen, die teruggrijpen op toen we nog in een grot zaten en schaduwen op de muur zagen opdoemen. Film is iets onvermijdelijks om ons daarbij te helpen.

Hoe werkt dat dan tijdens het filmen zelf?
Op een heel intuïtieve, impliciete manier.

Werkt het als een déjà-vu?
Nee, niet op die manier. Niet zo precies. Meer op een Oosterse manier, veel implicieter. Toen ik tropical malady maakte was het moeilijker, omdat dat een film was waarin ik wilde ontdekken hoe ik me voelde ten opzichte van liefde. Dat was heel abstract. Nu was het veel pictoraler. Veel minder analyserend, maar veel vrolijker. Mijn vreugde over het herzien van landschappen die ik kende, het gevoel in een rivier te drijven.

Waarom wilde u in deze film terugkeren naar de landschappen uit uw jeugd?
Elk jaar vieren we met de hele familie oud en nieuw. In 2004 was er een groot gevoel van verlies in mijn familie, door de tsunami, maar ook door de dood van mijn vader. Toen werden Mozarts thema's van magie en transformatie voor mij opeens heel relevant. Herinneringen kunnen een herhaling, een herbeleving van het verleden zijn, maar het zijn ook gebeurtenissen in het heden. Eigenlijk zijn het geen conclusies, maar kansen. Het gaat over hoe het leven voortdurend verandert.

Is dat ook de reden waarom het tweede deel van de film in z'n structuur een herbeleving van het eerste deel is, maar dan in een andere tijd en plaats?
Het tweede deel heb ik pas geschreven toen ik het eerste deel aan het monteren was. Het gaat over opposities, die net zoals in het yin-yang-teken een kern van hun tegengestelde in zich dragen. Het tweede deel is bijvoorbeeld grotendeels binnen gefilmd, met meer kunstlicht. De camera beweegt meer. Het heeft ook stilistisch een andere filosofie.

Ik was bijzonder geraakt door de bijna sciencefiction-achtige beelden in het mortuarium, hoe zijn die tot stand gekomen?
De keldertrap was prachtig om te filmen. Het was als de afdaling in de onderwereld uit 'Die Zauberflöte'. Hier krijgen mensen kunstledematen aangemeten, hier worden de doden afgelegd. Het genezingsproces wordt bijna artificieel, industrieel misschien zelfs. Hier gaat het erover hoe mensen de wetenschap gebruiken, hoe ze zich aanpassen aan het onbekende en misschien zelfs gevaarlijke. Het shot van de operatielamp was voor mij als een zonsverduistering, die dan ook weer een tegenbeeld is van de zon buiten. Maar ik realiseerde me dat eigenlijk pas gisteren toen ik de film weer zag. Het is een scène die ook laat zien dat zelfs de moderniteit op een dag weer afgelopen zal zijn. Maar toen ik aan het filmen was had ik slechts een vage notie van de betekenis die ik er later aan zou geven. Het was vooral het licht. Ja, syndromes gaat heel erg over licht.

Dana Linssen

syndromes and a century (sang sattawat, Apichatpong Weerasethakul, 2006, Thailand/Frankrijk/Oostenrijk). Distributie: Filmmseum. Te zien: van 3 t/m 9 juli in Filmmuseum, Amsterdam.

Op 3 juli geeft Dana Linssen in het Filmmuseum een inleiding op syndromes and a century.

syndromes and a century

Vliegende schotel

syndromes and a century, de film die de Thaise filmmaker Apichatpong Weerasethakul maakte voor het New Crowned Hope-festival dat Peter Sellars twee jaar geleden in Wenen organiseerde ter gelegenheid van het Mozart-jaar, is de laatste film die uit dat project de Nederlandse filmtheaters bereikt en meteen ook de meest toegankelijke. Na afloop van het kijken heb je het gevoel dat je in een lichtgroen bad van verse lentebladeren hebt liggen dromen. De regisseur die eerder festivalfurore had met zijn voor ongeoefende kijker vaak hermetische en impliciete zoektochten langs landschappen en lichamen zoals blissfully yours (2002) en tropical malady (2004), keert ditmaal terug naar het landschap van zijn jeugd. Of beter gezegd naar het landschap van voor zijn jeugd, waar zijn ouders, beiden arts, elkaar ontmoetten. In twee delen, die staan voor vrouw-man, buiten-binnen, yin-yang, traditie-vooruitgang, verleden-heden, zonlicht-kunstlicht, warm-koud, leven-dood, scheert hij langs een aantal ontmoetingen en situaties, die vaak heel onderkoeld (en onbedoeld) komisch zijn. Beide delen, het eerste op het Thaise platteland, het tweede in een ziekenhuis in Bangkok gesitueerd, hebben min of meer dezelfde structuur, maar belichting, context en setting zorgen ervoor dat je als toeschouwer een heel andere ervaring hebt. Weerasathekuls versie van Mozarts thema van magie en transformatie uit 'Die Zauberflöte' kortom. Beelden van een gitaarspelende Boeddhistische monnik zorgden voor een klein schandaal in eigen land, evenals twee monniken die met een op afstand bestuurbare vliegende schotel spelen. Weerasethakul weigerde de door de censor voorgestelde ingrepen, waardoor de film in Thailand nog nooit officieel is vertoond. In de Engelse krant The Guardian van 14 september 2007 schreef hij onder de kop 'Who can save my flying saucer' een ingezonden brief waarin hij zijn film verdedigt en oppert dat het niet zozeer het blasfemische of seksuele karakter van de film is wat de autoriteiten ergert, maar veeleer zijn onafhankelijke geest.
DL


El cielo, la tierra y la lluvia

Spoorloos in het bos

'De hemel, de aarde en de regen' is de vertaling van de titel van dit Chileense debuut, en soms krijg je inderdaad het gevoel dat deze elementen de belangrijkste personages zijn. Veel hedendaagse filmmakers mogen hun metaforen voor de staat van de mens met zijn hunkeringen en onvermogens vinden in de anonimiteit van de grote stad, ook de zompige natuur en de beschimmelde huizen op een dunbevolkt Chileens eiland blijken daar heel geschikt voor te zijn. Deze somber-poëtische impressie van vier onopvallende, gesloten mensen die op een dood punt in hun leven zijn aangekomen kwam tot stand met steun van het Hubert Bals fonds. el cielo, la tierra y la lluvia van José Luis Torres Leiva beleefde zijn wereldpremière op het Rotterdams filmfestival en werd daar bekroond met de Fipresci-prijs van de internationale kritiek.
Torres Leiva heeft de verhaallijnen minimaal gehouden, soms opzettelijk onvolledig met abrupte sprongen. De sfeer en het opgeroepen gevoel moeten het belangrijkste werk doen. Zie bijvoorbeeld het lang aangehouden openingsbeeld waarin we een jonge vrouw met haar hond langs een onbestemde zandweg zien lopen. Normaal zouden we haar volgen en te zien krijgen waar ze naar toe gaat, maar Torres Leiva laat zijn camera rustig verdwalen in de takken van de bomen naast het pad. Gevoelens van pijn en verdriet en het isolement van de hoofdpersonen worden nauwelijks uitgesproken of anderszins expliciet gemaakt. We zien het wel heel mooi weerspiegeld in de treurigheid van het moeras, de versleten wollen truien en de bedompte interieurs met de gebloemde dekens.

Het is filmen met een omtrekkende beweging, zoals we dat we ook aantreffen bij bijvoorbeeld de Argentijn Lisandro Alonso (los muertos) of in japón, de eerste film van Carlos Reygadas. Torres Leiva leunt aan tegen de Latijns-Amerikaanse avant-garde, zonder zich overigens te verliezen in ongrijpbare magie. De traagheid van zijn beelden is tamelijk nadrukkelijk en soms op het randje van gewild artistiek effect, maar hij weet wel een bepaalde spanning vast te houden.
Door die indirecte verteltrant duurt het even voor de onderlinge verhoudingen van de drie vrouwen en die norse man (Pablo Krogh) die alleen in zijn boerderij woont duidelijk zijn. Ana (Julieta Figueroa) is een wat onhandig en niet al te slim meisje dat wegens een kasverschil is ontslagen bij de winkel in de buurt. De man in de boerderij kan haar wel als huishoudhulp gebruiken. Ook nadat hij zich in een pijnlijk wanhopig moment aan haar heeft proberen op te dringen blijft ze voor hem werken. Maar tegen het eind zal ze hard en hevig huilen. Kleinere rollen zijn er voor Angelica Riquelme en Mariana Munoz als respectievelijk Ana's enige vriendin en een depressieve jonge vrouw die op zeker moment spoorloos in het bos zal verdwijnen. De anderen houden stug en zwijgend vol.

Leo Bankersen

el cielo, la tierra y la lluvia (José Luis Torres Leiva, 2007, Chili). Distributie: Filmmuseum. Te zien: vanaf 31 juli.


Dimitri Karakatsanis over small gods

In small gods, te zien in Previously Unreleased, maken drie personages een eindeloze trektocht in een camper. Naast horror, thriller en een gevoelige roadmovie is small gods ook een detectiveverhaal. De half-Griekse, half-Vlaamse debutant Dimitri Karakatsanis: "Vertrouw op je intuïtie."

Dimitri Karakatsanis (foto: Angelique van Woerkom).

Dimitri Karakatsanis maakt een 'wereldreis' door de omgeving van Antwerpen. Met een kaart als wegwijzer ging hij op zoek naar open plekken en zette een parcours op onbebouwd landschap uit. Nieuwe open plekken schiep hij door de camerastandpunten te veranderen. "We moesten zelfs wat locaties schrappen, omdat we anders te lang onderweg zouden zijn."
Karakatsanis' broer is verantwoordelijk voor de cinematografie. Met alleen natuurlijk licht verruwt hij de film met de wijdse landschappen, die zowel lieflijk als dramatisch zijn. Toch blijft de camera meestal dicht in de buurt van de personages. De film wordt gekenmerkt door close-ups en korrelig beeld. "Ik vind close-ups interessant", vertelt Karakatsanis tijdens het Filmfestival Rotterdam. "Ik hou heel erg van de western. Van Sergio Leone voornamelijk: wijdse landschappen, maar ook veel close-ups." Maar de close-ups geven ook een indruk van de innerlijke wereld van de personages. "Deze film werkt niet als je ver van de handelingen af staat. Je moet echt bij de mensen betrokken zijn."
Alle personages in small gods hebben een gewelddadige achtergrond. Bij de vraag waarom grinnikt Karakatsanis en vertelt hij dat hij sowieso de behoefte had om iets anders te maken dan doorgaans uit Vlaanderen komt. Hij kreeg subsidie voor een korte horrorfilm, maar tijdens de draaidagen zag hij dat er meer in zat en besloot hij het script te herschrijven tot een lange speelfilm, met momenten uit die korte horrorfilm. Als vanzelf werd ook het nieuwe script een bloederige thriller. "Ik had een boek gelezen van Roger Corman, die man van al die horror- en lowbudgetfilms, en hij heeft mij geïnspireerd."

Bokswedstrijd
Naast horror, thriller en een gevoelige roadmovie is small gods ook een detectiveverhaal. De reis met de camper wordt door Elena aan haar advocaat verteld, omdat zij verdacht wordt van moord. Dat mag allemaal wat veel lijken, maar in Karakatsanis' ogen zijn deze contrasten noodzakelijk. Omdat hij in zijn film weinig dialoog en voornamelijk dagelijkse handelingen wilde gebruiken, zijn de contrasten belangrijk voor het uitdiepen van de karakters: "Ik wilde met sprekende beelden en duidelijke signalen werken."
Zo gaat David letterlijk een bokswedstrijd aan met God, die wordt gespeeld door een ex-bokser, een lange slanke donkere man van rond de vijfenzeventig jaar met een scheve neus. Hij kan David makkelijk aan. "Ik zie God niet als een heilig gegeven maar het is wel interessant dat David daardoor zo veranderd is." Of God ook echt een bokser is weet Karakatsanis niet.
Sara en David zijn Elena's metgezellen op haar reis, haar 'small gods'. Misschien zijn zij slechts Elena's leugens om met moord weg te komen, of zijn ze een deel van haarzelf, of bestaan ze echt - het antwoord zal voor iedereen anders zijn. Karakatsanis: "Eigenlijk wil ik het ook niet weten. Voor mij als regisseur maakt het ook niet veel uit, en de kijker moet het voor zichzelf bepalen."
In small gods speelt ook het surrealisme een rol, dat wil zeggen de acceptatie van een breed scala aan mogelijkheden voor verschillende werelden en tussenwerelden. Net als in zijn korte afstudeerfilm le guide (2001), over een man die plotseling in een parallelle wereld terecht komt, kent de werkelijkheid meer kanten. Dat idee ligt ook ten grondslag aan small gods, juist omdat de kijker niet met zekerheid kan zeggen wat er van Elena's verhaal waar is. In feite confronteert Karakatsanis ons dus met diverse werkelijkheden in onze eigen wereld. Hij dwingt je te kijken met je intuïtie en emotie, niet met de ratio. "Ik vind dat heel belangrijk, omdat je dan andere dingen ziet," legt hij uit. "Maar we zijn niet meer gewend zo op onze intuïtie te vertrouwen."

Laura van Zuylen

small gods (Dimitri Karakatsanis, 2007, België). Distributie: A-Film. Te zien: van 7 t/m 13 augustus in het Filmmuseum.

small gods

Ontroerd tot in je ruggenmerg

De deur van de ziekenhuiskamer gaat open. Elena, die herstellende is van het auto-ongeluk waarbij haar zoontje is overleden, wordt gekidnapt door David. Ze stribbelt niet tegen. Zij slaapt, hij rijdt haar in de camper weg van de bewoonde wereld. Ook de zwijgende Sarah sluit zich bij hen aan, nadat David haar heeft gered van verkrachting.
Drie personages komen in small gods door toeval bij elkaar en hoewel ze elkaar niet kennen, blijken ze toch met elkaar verbonden te zijn. Ze zijn alledrie gehandicapt door hun verleden. Elena heeft niets meer, maar de reis geeft haar de ruimte haar verleden te verwerken. Ze moet haar leven volslagen afbreken, om het opnieuw te kunnen opbouwen.
Is dit verhaal waar? Bestaan Sarah en David echt? Of is Elena een leugenares? En als ze liegt, doet ze dat dan bewust of zijn de andere twee deel van haar verbeelding? Dat is de kwestie waar de kijker mee blijft zitten. Een vraag die niet goed of fout te beantwoorden is en dat hoeft ook niet. Als je er maar over nadenkt.
De half-Griekse, half-Vlaamse Dimitri Karakatsanis is naar eigen zeggen meer Grieks dan Vlaams. Hij is net zoals de Grieken macho en gevoelig tegelijk en niet hard zoals veel Vlamingen. Deze film, die je dwingt om op je gevoel te kijken, onderscheidt zich daarin ook van de mainstream Vlaamse film. Hij zit vol moord en bloed, maar hij ontroert je tot in je ruggenmerg.
Het is zonnig en de personages spelen met een vlieger. In de weerspiegeling op de autoruit beweegt de vlieger als een kleine vlinder. Maar hij is ingesloten; ook de electriciteitspalen zijn weerspiegeld. Gelukkig zien we op de achtergrond een omhelzing.
LvZ


Ook te zien

Het Filmmuseum vertoont onder de noemer Previously Unreleased deze zomer elke week een ten onrechte niet in Nederland uitgebrachte film, zoals het tragikomische the savages waarin een broer en zus zich soms nog kindser gedragen dan hun seniele vader, de hard-boiled Argentijnse misdaadfilm el aura waarin een epileptische taxidermist de ideale misdaad beraamt en Shane Meadow's autobiografische meesterwerk this is england.


this is england
Shane Meadows
Een lange zomervakantie, met nieuwe vrienden, nieuwe schoenen, en een nieuwe identiteit; met een eerste tongzoen en weerzinwekkend racistisch geweld. Welkom in Engeland anno 1983, het land van Thatcher, de Falklandoorlog en skinheads. Een van de honderden soldaten die op de broodkruimelgrote Falklandeilanden is gestorven is de vader van 11-jarige Shaun die alleen met zijn verdriet en moeder in een armoedige flat in een afgetrapt dorp woont. Op school wordt hij gepest en geslagen. Tot hij bevriend raakt met de lokale skinheads: een bonte club tieners onder aanvoering van de goedmoedige slungel Woody (een innemende Joe Gigun). De skinheads geven kansloze, werkloze jongeren een stoere niemand-maakt-mij-wat-houding en Shaun een nieuw thuis. Net als Martin Scorsese weet Shane Meadows (
twentyfourseven, 1997 en dead man's shoes, 2004) dat geweld in veel sociale kringen net zo gewoon is als een pak melk. En als geen ander kan hij ontroerende tederheid frontaal laten botsen op scènes vol dreiging, waarbij geweld constant in de lucht hangt. this is england is zijn terugblik op zijn jeugd, een liefdevol geobserveerd; tijdmachine die een specifieke historische periode haast fysiek voelbaar maakt; haarscherpe studie van de aantrekkingskracht van gangs; symbolisch beeld van de omslag van skinheads van apolitieke subcultuur naar een rechts extremistische bende. En een nieuw hoogtepunt in het oeuvre van één van Engelands beste - en in Nederland meest genegeerde - auteurs.
Rik Herder
(Shane Meadows, 2006, Groot-Brittannië). Te zien: van 24 t/m 30 juli.


the savages
Tamara Jenkins
Amerikaanse verrassings- en festivalhit met Philip Seymour Hoffman en Laura Linney (Oscarnominatie) als volwassen broer en zus die moeten zien om te gaan met hun langzamerhand steeds verder seniel wordende vader. En nee. Het sentiment ligt niet op de loer, in vlijmscherpe tragikomedie van Tamara Jenkins, die tien jaar geleden debuteerde met het door haar geschreven en geregisseerde
slums of beverly hills (1998). Film doet eerder denken aan Noah Baumbachs margot at the wedding die dit jaar nipt wel de filmtheaters haalde. Ook hier de nodige broer- en zustertwisten: beiden tegen de veertig, single en verdwaald in een literair milieu, hebben ze de nodige frustraties op elkaar uit te leven en daarvoor in de taal een venijnig medium tot hun beschikking. the savages, inderdaad. Want hun beschaving is maar een dun laagje. Semiautobiografische film verliest echter nooit zijn humor en menselijkheid en schrijnt daarom waarschijnlijk nog eens te meer.
(Tamara Jenkins, 2007, VS). Te zien: van 10 t/m 16 juli.


el aura
Fabián Bielinsky
Al vanaf de openingsbeelden waarin een naamloze taxidermist (een glansrol van de Argentijnse topacteur Ricardo Darín) een epileptische aanval krijgt tijdens het flappen tappen, is duidelijk dat el aura zich af gaat spelen in het schemergebied van waan en werkelijkheid. Dankzij zijn fotografische geheugen denkt de man de ideale misdaad te kunnen beramen, maar regisseur Fabián Bielinksy (die eerder al verraste met de heist-film
nine queens uit 2000) heeft nog een paar twists and turns in petto.
(Fabián Bielinksy, 2005 Argentinië). Te zien: van 21 t/m 27 augustus.

Naar boven