Maart 1997, nr 176

Kolya

Een dreumes als reddende engel

De hoop op een opbloei van de Tsjechische film is gericht op Jan Sverák, vaandeldrager van een nieuwe generatie Tsjechische filmmakers. Op 24 maart moet blijken of Sveráks Kolya de Oscar voor Beste Buitenlandse Film in de wacht gaat slepen en de vergrijsde schare Hollywoodveteranen evenzeer heeft bekoord als het Rotterdamse festivalpubliek.

Vrolijke kunstenaar (Zdenek Sverák) met vrolijke kleuter (Andrej Chalimon).

Op het Filmfestival Rotterdam lieten Tsjechische regisseurs, allen afkomstig uit dezelfde Praagse kweekvijver, zich niet onbetuigd. Zoals David Ondrícek (28), die met zijn tragi-komische debuutfilm Septej (Whisper) als talentvolle nieuwkomer werd gelanceerd. Of Petr Václav (30), die met zijn speelfilmdebuut Marian eerder hoge ogen gooide in Locarno. Het tot nu toe meest succesvolle Tsjechische talent is Jan Sverák (32) die er als filmmaker al vroeg bij was, al zo'n jaar of tien een niet aflatende prijzenregen over zich heen laat komen en inmiddels een eigen produktiemaatschappij heeft. Al op drieëntwintigjarige leeftijd sleepte hij met de hilarische fake-documentaire Ropáci (Oil globbers) een Oscar voor de Beste Studentenfilm binnen. Zijn speelfilmdebuut Obecná skola (Elementary school) werd in 1992 genomineerd voor de Oscar voor Beste Buitenlandse Film. Met zijn vierde speelfilm Kolya, een bitterzoet monument voor de liefde, zit Sverák opnieuw in de race.
Deze jonge Tsjechische regisseurs werden rond 1968 geboren, het jaar waarin door de Russische invasie de doodsteek werd toegebracht aan de bejubelde Tsjechische Nouvelle Vague. Zo vormvernieuwend als hun voorgangers zijn de leden van de nieuwe generatie niet. Maar het zijn wel stuk voor stuk goede verhalenvertellers en opvallend is dat de jonge stadsgenoten in hun speelfilms, wellicht beïnvloed door de Tsjechische grootmeester Karel Kachyna (73), kinderen en tieners als hoofdrolspelers opvoeren.

Huwelijkstransactie
Frantisek Louka (Zdenek Sverák) is een begaafde cellist die, na een partijbons te hebben beledigd, ontslagen is bij het Tsjechisch Philharmonisch Orkest. In het hoofdstedelijke crematorium luistert hij nu uitvaartdiensten op en met een potje bladgoud in zijn binnenzak stroopt hij graven af op zoek naar te restaureren grafinscripties. Omdat Frantisek zijn zinnen heeft gezet op een tweedehands Trabant, gaat hij, op voorstel van een bevriende grafdelver, in op een lucratief schijnhuwelijk met een Russin.
Het is aan de vooravond van de Fluwelen Revolutie als Sveráks vijfjarige titelheld Kolya (Andrej Chalimon) samen met zijn moeder Nadezhda (het beeldschone Russische fotomodel Irena Livanova) vanuit de Sovjet-Unie naar Praag komt. Direct na de huwelijkstransactie blijkt de Russin echter gevlogen. De tante die zich over Kolya ontfermt, keert op haar beurt niet meer terug van een ziekenhuisopname en Kolya wordt afgeleverd bij zijn 'vader'.

Gestrande zielen
Frantisek, een mooie rol van de vader van de regisseur die tevens verantwoordelijk is voor het intelligente en met veel humor doorspekte scenario, is het schoolvoorbeeld van de kunstenaar-bohémien. De grijzende cellist bewoont een idyllische torenkamer in de oude Praagse binnenstad. Deze Tsjechische Sean Connery, die zich avond aan avond manifesteert als een echte 'womaniser', is een overtuigd vrijgezel. Hij heeft een hekel aan kinderen en Russen en trekt zich na zijn werk met zijn cello en zijn flirts terug in zijn vesting. Alleen door een goddelijke ingreep kan deze cynicus nog gered worden. De dreumes, een Russische dreumes nog wel, waarmee hij wordt opgezadeld, zal zich warempel openbaren als de reddende engel die letterlijk uit de wolkenlucht komt neergedaald.
Kolya, gespeeld door een vijfjarig natuurtalent dat door Nikita Michalkovs casting director uit een Russische crèche geplukt werd en al gezien wordt als een Marlon Brando in de dop, is een onvervalste hartenbreker. Hij is in de steek gelaten door zijn moeder en moet nu het bed delen met een vreemde baardaap die geen woord Russisch spreekt. Schrijnender kan het bijna niet. De schoorvoetende toenadering tussen de twee gestrande zielen wordt door Sverák ijzingwekkend fraai uitgewerkt. De kitsch ligt weliswaar constant op de loer, vooral als de muziek er op kritieke momenten nog eens flink overheen gehaald wordt, maar Kolya wint het van het valse sentiment. Niet in de laatste plaats omdat het engelachtige ventje zich op sommige momenten ontpopt als een soort Oskar, het rebelse joch uit Volker Schlöndorffs Die Blechtrommel dat met zijn luide stemgeluid glas kon doen barsten.
En als Kolya zijn speelgoedtheatertje ombouwt tot een crematorium, kruistekens en grafzerken begint te tekenen en de veel gehoorde psalm 'The Lord is My Shepherd' begint te zingen zijn dat stuk voor stuk staaltjes van aanstekelijke, zwartgallige humor. De relatie die tussen de gedesillusioneerde vijftiger en de vijfjarige onschuld ontstaat en een symbool is voor het vervagen van politieke, culturele en emotionele grenzen, is dermate meeslepend dat je die moeder eigenlijk gauw vergeet en, op het moment dat ze weer acte de présence geeft, zelfs als een ware spelbreker ervaart.

Belinda van de Graaf

Kolya
Tsjechië/Engeland/Frankrijk, 1996.
Produktie: Eric Abraham en Jan Sverák.
Regie: Jan Sverák.
Scenario: Zdenek Sverák, naar een verhaal van Pavel Taussig.
Camera: Vladimir Smutny.
Geluid: Zbynek Mikulik.
Montage: Alois Fisarek.
Muziek: Ondrej Soukup.
Met: Zdenek Sverák, Andrej Chalimon, Libuse Safrankova, Ondrez Vetchy.
Kleur, 105 minuten.
Distributie: Cinemien.
Te zien: vanaf 6 maart.

Naar boven