Juli/augustus 1998, nr 191

Retrospectief Mastroianni

Met sardonische lach en een tijgervel

Hij speelde een homoseksueel en een impotente echtgenoot, maar het door hem verafschuwde imago van de 'latin lover' raakte hij gedurende zijn gehele carrière desondanks niet kwijt. Van de maar liefst 171 films waarin Marcello Mastroianni acteerde, vertoont het Nederlands Filmmuseum er de komende maanden zo'n 35. Naast klassiekers als La notte en La dolce vita, bevat deze hommage ook meer obscure films als Che? en Ciao maschio. Vooral uit dit onbekende werk blijkt Mastroianni's veelzijdige en ongeëvenaarde talent als acteur. God is anno 1998 misschien dan wel een Chinees, maar Hij openbaarde zich voor die tijd als Italiaan.

Che?: Mastroianni als sadistische souteneur.

"Ik herinner me dat Fellini me Snàporaz noemde", zo vertelt Marcello Mastroianni in Mi ricordo, si, io mi ricordo. Deze vlak voor zijn dood gemaakte biografische documentaire begint heel poëtisch met een schijnbaar willekeurige opsomming van de herinneringen die hem quasi onvoorbereid te binnen schieten. 'Snàporaz' was een betekenisloze troetelnaam die Fellini voor hem bedacht had en die hij jaren later gebruikte voor het personage dat Mastroianni in Città delle donne zou spelen. Dat Mastroianni, terugkijkend op zijn leven, aan Fellini denkt is niet zonder reden. Toen deze hem in 1960 voor de hoofdrol van La dolce vita vroeg, had Mastroianni weliswaar al meer dan veertig films gemaakt en stond hij in eigen land al enige jaren te boek als een veelbelovend talent, in het buitenland had men nog amper iets van hem gezien of gehoord.
La dolce vita sloeg in als een bom en betekende voor beiden de internationale doorbraak. Het succes was niet in de laatste plaats te danken aan Mastroianni's sublieme vertolking van een playboy-achtige journalist die, in het bijzijn van de mooiste vrouwen, van het ene avontuur naar het andere snelt, zonder een antwoord te vinden op de zin van zijn bestaan. Na vergelijkbare rollen als succesvol schrijver in Antonioni's La notte (1961) en als vastgelopen filmregisseur in Fellini's Otto e mezzo (1963) was Mastroianni's naam niet alleen definitief gevestigd, maar ook zijn faam als de immer stijlvol geklede en welgemanierde vrouwenversierder was bestendigd.

Sullige taxichauffeur
Mastroianni debuteerde in 1938 op veertienjarige leeftijd als figurant in de film Marionette. Het duurde tot 1947 voordat hij in Passaporto per l'oriente zijn eerste echte rol had. Over de personages die hij in de jaren vijfig bij nu vergeten regisseurs als Clemente Fracassi (Sensualità) en Claudio Gora (Febbre di vivere) mocht vertolken, schrijft biograaf Donald Dewey: "Ofschoon hij wel al een reputatie had als mooie jongen, werd hij in die periode vrijwel uitsluitend gecast voor de rol van onschuldige goedzak."
In de meeste van die films speelde Mastroianni een naïeve taxichauffeur uit Rome, die tegen zijn schuld in allerlei lastige situaties verzeild raakt. Een mooi voorbeeld van deze voor Mastroianni zo frusterende typecasting was de film Peccato che sia una canaglia uit 1955, van regisseur Alessandro Blasetti. Mastroianni's personage heeft net met veel moeite zijn nieuwe taxi afbetaald als hij te maken krijgt met een aantrekkelijke oplichtster (Sophia Loren) die hem, samen met haar vader (Vittorio de Sica), keer op keer weet te belazeren en het zelfs op zijn wagen heeft voorzien.
De overgang van sullige taxichauffeur naar vrouwenversierende intellectueel betekende weliswaar een stap vooruit, maar het bevredigde Mastroianni nog allerminst. Door zijn enorme successen begin jaren zestig had hij de rollen en vooral de regisseurs waar hij mee wenste te werken echter voor het uitzoeken. Hij maakte sindsdien films met vrijwel alle grote Italiaanse regisseurs van zijn generatie, zoals Vittorio de Sica, Michelangelo Antonioni, Marco Bellocchio, de gebroeders Taviani, Liliana Cavani, Ettore Scola en Marco Ferreri. Vooral het werk van Ferreri gaf hem de kans enkele van de meest veeleisende en bizarre rollen uit zijn carrière te spelen.

Zonderling
De vruchtbare samenwerkingsrelatie - ze maakten samen vijf films - die Mastroianni met Fellini kende, is nog wel te begrijpen. Mastroianni gold algemeen als het alter ego van de grillige filmmaker, wiens films weliswaar veel opzien baarden, maar over het algemeen toch binnen de perken van de gangbare filmkunst bleven. Heel anders ligt dat bij Marco Ferreri. In zekere zin vormt zijn rauwe en totaal onaangepaste filmtaal de tegenpool van Fellini's verzorgde en stijlvolle aanpak. Naast het vermaarde La grande bouffe (1973), maakte Mastroianni met hem L'uomo dei cinque palloni (1965) - over een man die wil testen hoeveel spanning een ballon kan verdragen voordat hij explodeert, La cagna (1972), Touche pas la femme blanche (1973), Ciao maschio (1978) en Storia di Piera (1983). Mastroianni omschreef deze films zelf als "hele belangrijke films en mijlpalen in de filmgeschiedenis".
De acteur etaleert erin de meer sardonische kant van zijn persoonlijkheid. Zelden heeft hij zo'n verbitterde nihilist neergezet als in La grande bouffe, en de zonderling uit Ciao maschio, die aan waanideeën lijdt en zelfmoord pleegt, noemde hij "een van de mooiste karakters die ik ooit in een film heb gespeeld". De rol van de legendarische kolonel Custer die hij in Touche pas la femme blanche neerzet, overtreft echter alles. In deze in een moderne setting geplaatste satire op de uitroeiing van de Indianen door het Amerikaanse leger, is Mastroianni onherkenbaar. Tegen zijn principes in draagt hij een langharige pruik en een stevige snor en acteert hij volledig over the top. En om definitief af te rekenen met het vervelende Casanova-imago, laat hij zich door tegenspeelster Catherine Deneuve als een stuntelende beginneling optillen en naar een bed dragen, voordat ze de liefde bedrijven.

Doofstomme sherrif
De parade van gekke types, sullige antihelden en impotente losers is een vrijwel onopgemerkt onderdeel van Mastroianni's immense oeuvre. Meer dan wie ook van zijn generatie heeft hij risico's durven nemen en vaak was hij degene die een bepaalde rol alsnog op zich nam nadat een hele rits van zijn collega's hem, bang voor hun imago, eerst geweigerd had.
Het liep natuurlijk ook wel eens verkeerd af. Over zijn rol als zwangere huisvader in de film met de veel te lange titel: L'evénément le plus important depuis que l'homme a marché sur la lune (1973), waarin hij aan het eind van een heuse baby bevalt, was hij zelf allerminst te spreken. "Het absolute dieptepunt van mijn carrière", zo rangschikte hij die film. Of wat te denken van De eso no se habla van de Argentijnse filmmaker Maria Luisa Bemberg. Daarin speelt hij een oudere, welgestelde heer die hopeloos verliefd wordt op een dwergvrouwtje en met haar in het huwelijk treedt. De dansscène op het bruiloftsfeest, waarbij Mastroianni zijn bruid door de lucht tilt, is te grotesk voor woorden.
Wat Mastroianni bewoog om in 1972 zijn medewerking te verlenen aan de film Che? (What?) van Roman Polanski, zal wel nooit volledig opgehelderd worden. In deze obscure, weinig overtuigende, maar wel onderhoudende softporno-film, speelt hij een geile souteneur. Tijdens een verblijf in een afgelegen villa slaagt hij erin om zijn sadistische fantasieën op een dommig, maar bloedmooi Amerikaans meisje uit te leven. Gehuld in een tijgervel kruipt hij grommend en kreunend over de grond, krabt met zijn nagels aan een stoel en laat zich met een zweepje aftuigen, voordat hij het arme kind bespringt. Polanski werd in die periode gearresteerd wegens zedeloos gedrag en Mastroianni sprak van "een van die aanvankelijk veelbelovende projecten, die uiteindelijk uitlopen op een ramp en die je als acteur zo snel mogelijk moet vergeten".
Legendarisch is Mastroianni's weigering om naar Hollywood te gaan. Hij sloeg alle aanbiedingen principieel af, al maakte hij wel een aantal films in New York en wist Robert Altman hem drie jaar geleden te strikken voor Prêt-à-porter. De enige Hollywood-productie waar hij uiteindelijk wel aan meewerkte was Used people (1992) van Beeban Kidron. Zijn repliek op Amerikaanse journalisten die bleven doorvragen was meestal: "Ik kom alleen als ik een doofstomme sheriff mag spelen in een westernparodie."

Als zonderling in Ciao maschio: volgens Mastroianni een van zijn mooiste rollen.

Knipoog
Van Fellini is bekend dat hij graag met Mastroianni werkte omdat hij volgens hem "zo'n alledaags gezicht had". Los van de voor Fellini zo typerende ironische ondertoon, zit hier wel een kern van waarheid in. Zijn uiterlijk viel niet op door een robuuste kaaklijn, een opvallende neus of andere typische gelaatstrekken. Het is vooral de weggezonken blik en zijn donkere, bij vlagen hypnotiserende stem die de meeste indruk maken en hem deden slagen in de meest uiteenlopende creaties. Hij was met een lengte van 1.70 m vrij klein van stuk en uit schaamte over zijn magere spillebenen weigerde hij steevast om bloot voor de camera te verschijnen. Een van de weinige keren dat hij toestemde om uit de kleren te gaan was in Enrico IV, maar in de meeste gevallen ging hij niet verder dan het ontbloten van zijn bovenlijf.
Het magische woord dat door de meeste regisseurs gebruikt wordt om aan te geven waarom de ene acteur het wel in zich heeft en een ander niet is 'présence'. Ook Mastroianni had dat geheimzinnige iets waar verder geen woorden voor zijn en generaties filmmakers, acteurs, critici en filmliefhebbers zich over zullen blijven verbazen. Mastroianni hield het erop dat een acteur zichzelf nooit al te serieus moest nemen: "Ik denk dat er altijd een zekere distantie moet blijven tussen de acteur en het personage dat hij speelt. Hij zou altijd met een knipoog moeten spelen, alsof hij tegen zichzelf zegt: 'Niet overdrijven, hè, denk eraan dat je aan het acteren bent, je bént je personage niet.'"

François Stienen

Ciao Marcello! Hommage aan Marcello Mastroianni
Van 30 juli tot en met 2 september in het Nederlands Filmmuseum, Amsterdam.

Zie ook: Voyage au début du monde, Mastroianni's zwanenzang.

Naar boven