Februari 1999, nr 197

Velvet goldmine

Een labyrint vol glitter

Met een knipoog naar Oscar Wilde, David Bowie en Citizen Kane brengt de Amerikaanse regisseur Todd Haynes in Velvet goldmine een eerbetoon aan de Britse glamrock van begin jaren zeventig. Het uiterlijk vertoon dat de muziekstroming kenmerkte, resulteert in een visueel overdonderende film, de voor glamrock typerende mystificaties krijgen een weerslag in het scenario, dat een complex labyrint opwerpt.

Jonathan Rhys Meyers in Velvet goldmine: visueel verbluffend.

Rond de Britse première van zijn nieuwe film was Todd Haynes te gast bij een cultureel programma op de BBC. De presentator viel meteen met de deur in huis en vroeg of de regisseur opzettelijk een film had gemaakt waar geen touw aan vast te knopen valt. Er klonk instemmend gejuich uit de zaal: kennelijk had geen van de aanwezigen de complexe structuur van Velvet goldmine kunnen ontrafelen. Het is een bezwaar dat ook in Amerikaanse recensies werd geuit. Waar Haynes' vorige film, het in Nederland niet uitgebrachte, miskende meesterwerk [Safe], zich met benauwend resultaat volledig op de belevingswereld van een door allergieën geplaagde vrouw concentreerde, omvat de ambitieuze opvolger zoveel personages en ideeën dat de kijker het spoor al snel bijster raakt.
De film volgt in grote lijnen de structuur van Orson Welles' Citizen Kane: een journalist reconstrueert het met flashbacks geïllustreerde leven van een popster. Gevraagd naar zijn drijfveren geeft Haynes in interviews echter te kennen dat hem eerder een tripfilm als Kubricks 2001: A space odyssey of Donald Cammells Performance voor ogen stond. Daarin is hij zeker geslaagd. Zijn film is niet voor een gat te vangen en omvat veel visueel verbluffende scènes en prikkelende ideeën, maar wat belangrijker is: al die dwaalsporen, zijpaden en onbeantwoorde vragen mogen misschien frustreren, ze vormen een passende illustratie van de essentie van glamrock, een muziekstroming die mystificatie van popsterren en een ambivalente seksualiteit op de voorgrond plaatste.

Sterrenkind
Al veroorlooft Haynes zich de nodige dichterlijke vrijheden, het centrale personage van Brian Slade vertoont veel overeenkomsten met David Bowie. De titel van de film is ontleend aan de B-kant van een obscure Bowie-single die pas vier jaar na de opname in 1971 uitgebracht werd. Waar Bowie zich in datzelfde jaar tot de buitenaardse rockster Ziggy Stardust transformeerde, vindt Slade zichzelf opnieuw uit als Maxwell Demon, en net als bij het voorbeeld maakt de herboren rockster via een geënsceneerde moordaanslag een einde aan zijn alter ego. Haynes legt een verband tussen glittergod Slade/Demon en Oscar Wilde, in de prachtige proloog opgevoerd als een door een ufo te vondeling gelegd sterrenkind dat al op de lagere school verklaart een popidool te willen worden.
En daar blijft het niet bij: de ultieme dandy Wilde keert een eeuw later ogenschijnlijk terug als Jack Fairy (een oud scheldwoord voor homoseksuelen), een ongrijpbaar en marginaal cultfiguur die met zijn buitenissige imago de trend zet die door anderen zal worden uitgemolken. Slade wordt een ster door zich zowel aan Fairy als de Amerikaanse punkrocker Curt Wild te spiegelen, waarbij die laatste overduidelijk naar Iggy Pop gemodelleerd is. De oogverblindende wereld van Velvet goldmine wordt bevolkt door sterren die kort maar hevig schitteren door anderen in de overtreffende trap na te bootsen, en door hun rolmodellen, die dergelijke mystificaties niet nodig hebben: Curt Wild haalt net als Iggy Pop de eindstreep zonder een spat te veranderen.

Fletse nachtmerrie
Zonder de complexe Citizen Kane-structuur zou de film ongetwijfeld een stuk gemakkelijker te volgen zijn en de in 1984 gesitueerde speurtocht van de journalist is lang niet zo interessant als de flamboyante glamrock-periode. Daar komt nog bij dat acteur Christian Bale als de speurneus volledig verbleekt naast Slade/Demon Jonathan Rhys Meyers, diens door Toni Collette vertolkte vrouw en pseudo-Iggy Ewan McGregor, wiens zwabberende accent gecompenseerd wordt door een krankzinnige podiumact. De liefdevolle en kleurrijke reconstructie van het glamtijdperk, in beeld en geluid, smaakt naar meer, de jaren tachtig ogen als een fletse nachtmerrie.
Zonder dat sobere kader zouden de glittergoden echter lang niet zo prachtig schitteren, het verleden van de journalist geeft Haynes bovendien de mogelijkheid de impact van popidolen op hun fans weer te geven. In een deels autobiografische verhaallijn geeft hij de journalist een verleden als een met zijn homoseksualiteit worstelende puber mee: de opzichtige seksuele uitstraling van zijn idolen verleidde hem ertoe zijn eigen seksualiteit te omarmen en hij wordt daar met de ultieme droom van iedere fan ruimschoots voor beloond.
Haynes neemt veel hooi op zijn vork en maakt het zijn publiek niet gemakkelijk, maar hij levert daarmee wel een unieke film af. Gefictionaliseerde rockfilms plaatsten voorheen de ster of de fan op de voorgrond, Haynes kiest ervoor het perspectief van beiden te tonen. Dat maakt zijn film tot een meer persoonlijk statement over het belang van de popcultuur. Wie ooit met uiterlijk vertoon aansluiting zocht bij een aan muziek opgehangen subcultuur zal aan de film veel plezier kunnen beleven. Wie op zoek is naar een hapklare brok nostalgie is bij Haynes beslist aan het verkeerde adres.

Bart van der Put

Velvet goldmine
Verenigde Staten, 1997
Productie: Christine Vachon
Regie en Scenario: Todd Haynes
Camera: Mrayse Alberti
Geluid: Peter Lindsay
Montage: James Lyons
Muziek: Carter Burwell
Met: Jonathan Rhys Meyers, Christian Bale, Ewan McGregor, Toni Collette
Kleur, 123 minuten
Distributie: RCV Film Distribution
Te zien: vanaf 18 februari, en tijdens het Filmfestival Rotterdam

Naar boven