Juni 2000, nr 212

Topsy-turvy

Het wrange rijk der luchthartigheid

Topsy-turvy heet de nieuwste film van Mike Leigh (Naked, Secrets & lies). Behalve dat het een benaming is voor de komische opera's van de Engelse librettist Gilbert en zijn muzikale compaan Sullivan, geeft Leigh hiermee aan ook z'n eigen oeuvre én de kostuumfilm binnenstebuiten te keren. Met een verrassend en vertrouwd resultaat.

Jim Broadbent (l.) en Allan Corduner als Gilbert en Sullivan.

Pam pada da dam, pam pa dadam; nog uren na afloop zingt Topsy-turvy na in je oren. De opgewekte deuntjes van het Engelse operette-duo William Schwenk Gilbert (1839-1911) en Arthur Seymour Sullivan (1842-1900) zijn in Europa misschien minder bekend dan die van bijvoorbeeld Jacques Offenbach, maar ze zijn minstens even aanstekelijk. Wie bij een film over de makers van frivole opera's als The sorcerer (1877) en The pirates of Penzance (1979) een luchthartige kostuumfilm zou verwachten, wordt door regisseur Mike Leigh op z'n wenken bediend. Maar hij maakt in die danslustige muziekjes ook de melancholische ondertonen zichtbaar.

Toverdrankjes
Topsy-turvy begint in het voorjaar van 1884, op het moment dat Gilbert en Sullivan de première beleven van wat hun zoveelste succesproductie moet worden: Princess Ida. Sullivan wringt zich uit z'n ziekbed, om gesterkt door een paar koppen sterke koffie en een likeurtje het orkest van het Londense Savoy-theater te dirigeren, terwijl een barse Gilbert door dickensiaanse stegen dwaalt om de zenuwen van de openingsavond te bezweren. Hij leest het de volgende dag wel in de krant.
De kritieken zijn vernietigend. Het publiek zal het wel weer allemaal slikken is de boodschap, maar de recensenten wijzen er fijntjes op dat het duo wel erg in herhalingen begint te vallen. De toverdrankjes en magische elixers die Gilbert inzet om zijn hoofdpersonen in een andere wereld terecht te laten komen, waarin alles op een gelukkig einde aanstuurt, leveren hem de bijnaam 'King of Topsy-turvydom' op. Een benaming die hem nog chagrijniger maakt dan hij gewoonlijk al is.
Dat op z'n kop zetten van de werkelijkheid, de alledaagse gang van zaken binnenstebuiten keren, overhoop halen en ondersteboven weer presenteren, is niet iets waarvan je verwacht dat een regisseur van sociaal-realistische drama's als Mike Leigh nou direct affiniteit mee heeft. Was hij nou niet juist een meester in het miniatuur op de vierkante centimeter, waarin hij gedragspatronen van de Engelse sociale onderklasse haarscherp verbeeldde? Het is makkelijk om te concluderen dat hij gewoon eens iets anders wilde. Geen grauwe post-Thatcher ellende, maar kleur en melodie.

Rokende vrouwen
In zijn enscenering van het laat-negentiende-eeuwse Londense leven, is perfectionist Leigh echter weer even goed op dreef als in zijn eerdere films. Niet het geruis van japonnen maakt de film - zoals in de meeste kostuumfilms het geval is - zo overweldigend, maar juist de aandacht voor details die snel als triviaal zouden kunnen worden beschouwd. Gesprekken over rokende vrouwen of abortus tussen Sullivan en zijn maîtresse, de onwennigheid waarmee de hoofdpersonen met nieuwe (en nu zo vertrouwde, bijna alweer gedateerde) vindingen als de telefoon, de vulpen en het suikerklontje omgaan, zijn precies dezelfde miniatuurtjes als het ritueel van theedrinken en roken in Secrets & lies.
Door de film te concentreren op de creatieve impasse van Gilbert en Sullivan en hun ontsnapping daaruit door hun nieuwe werk (The mikado) op de Japanse cultuur te enten, geeft Leigh tevens een scherp beeld van het creatieve scheppingsproces en het reilen en zeilen van een theatergezelschap. De aan opium verslaafde sterzanger, de corpulente bariton (een meesterlijk rol van Mike Leigh-regular Timothy Spall) die uitgerangeerd dreigt te raken ondanks zijn immense populariteit bij het publiek en de rest van het gezelschap, de zangeressen met hun liefdesproblemen, er is geen personage te bedenken dat niet tot in de kleinste finesses is uitgewerkt. Leigh weet hun karakter vaak slechts in één of twee kleine scènes neer te zetten.
De gesprekken tussen Gilbert en Sullivan over het theater - hoe authentiek moet bijvoorbeeld een enscenering zijn, en is theater eigenlijk niet te kunstmatig om de realiteit te verbeelden? - geven een inkijkje in Leighs eigen artistieke agenda. Daarbij past ook het besluit om geen buitenopnamen te draaien. Volgens Leigh stond het budget dat niet toe. Maar juist die geïsoleerde binnenwereld wordt een krachtige metafoor voor de verbeeldingswereld, die mensen in staat stelt om hun alledaagse leven door een vergrootglas of juist van heel veraf, met humor, liefde en ernst te bekijken.
Topsy-turvy eindigt met een melancholisch drieluik, waarin Sullivans eenzame maîtresse, Gilberts teleurgestelde echtgenote en het alcoholistische zangeresje Leonora (Shirley Henderson) ondanks hun misère bewijzen dat het bij Leigh altijd de vrouwen zijn die overleven.

Dana Linssen

Topsy-turvy
Engeland, 1999
Productie: Simon Channing-Williams
Scenario en regie: Mike Leigh
Camera: Dick Pope
Montage: Robin Sales
Art direction: Eve Stewart
Kostuums: Liny Hemming
Muziek: Carl Davis naar Arthur Sullivan
Met: Allan Corduner, Timothy Spall, Jim Broadbent, Ron Cook, Shirley Henderson, Kevin McKidd, Lesley Manville, Eleanor David
Kleur, 160 minuten
Distributie: A-Film Distribution
Te zien: vanaf 15 juni

Naar boven