Oktober 2000, nr 215

In memoriam Nico Brederoo

Filmgeschiedenis is verhalen vertellen

'Uit zijn hoge hoed kwam voor ieder publiek een spannend verhaal.' Zo stond het - terecht - op de rouwkaart van filmhistoricus Nico Brederoo, die onverwacht overleed aan een hartstilstand. Filmwetenschapper Ivo Blom haalt herinneringen op aan een verwoed verzamelaar en een pionierende hoogleraar.

Nico Brederoo (r) en Ivo Blom.

"Filmgeschiedenis is verhalen vertellen", zei Nico Brederoo (1942-2000), de laatste keer dat we elkaar uitgebreid spraken. Dat was in januari van dit jaar, toen ik bij Nico langsging voor de overhandiging van de definitieve versie van mijn proefschrift. Als bijzonder hoogleraar filmwetenschap van de Universiteit van Amsterdam was hij een van de leden van mijn leescommissie.
Nico Brederoo was één van de eerste Nederlandse filmwetenschappers, een nestor van de filmgeschiedenis. In een tijd dat vakgroepen 'film studies' in het buitenland allang voorkwamen, waren de aparte vakgroepen in Utrecht en Amsterdam nog toekomstmuziek. Aan de Nederlandse universiteiten kon je film alleen bestuderen bij vakgroepen als Theaterwetenschap in Utrecht en Amsterdam of Film- en Opvoeringskunsten in Nijmegen en dan alleen als kopstudie, als doctoraalvak (vergelijkbaar met de toekomstige 'master'). Of je ging naar Leiden, waar je binnen de vakgroep Kunstgeschiedenis film kon studeren, bij Nico Brederoo. Hij was bekend door de tenstoonstellingscatalogus 'Film en beeldende kunst 1900-1930' (1979). De meeste teksten daarin waren van zijn hand en van Hoos Blotkamp, de latere directeur van het Filmmuseum. Nico werkte ook mee aan de catalogus van de tentoonstelling 'Berlijn-Amsterdam 1920-1940: wisselwerkingen' (1982), samen met Kathinka Dittrich van het Goethe Instituut. Hij publiceerde in hetzelfde jaar in 'Nederland en het Duitse exil', onder redactie van Dittrich en Würzner. Ten slotte was hij een van de auteurs van het standaardwerk over de vooroorlogse Nederlandse filmwereld, 'Geschiedenis van de Nederlandse film en bioscoop tot 1940' (1986). In al deze drie publicaties profileerde Nico zich als een kenner van de avantgardefilm en de documentaire, twee genres waarin Nederland zich in de Filmliga-periode kon meten met het buitenland. Behalve een specialist op het gebied van de Filmliga was Nico ook een kenner van de Duitse film van de jaren twintig tot en met veertig. Hij sprak hier regelmatig over zoals bij de GBG-conferenties en publiceerde hierover in bladen als de Filmkrant en Skrien. Tegelijkertijd bleef hij zich als kunsthistoricus pur sang profileren via zijn grondige onderzoek naar de familie Toorop-Fernhout, wat resulteerde in zijn monografie 'Charley Toorop' (1982) en zijn proefschrift 'Een familie van kunstenaars: Charley Toorop en Edgar Fernhout' (1985).

Film is kunst
Nico's achtergrond als kunsthistoricus zorgde ervoor dat het medium film vooral als kunstvorm werd benaderd, goed beschouwd een erfenis van de avantgardebeweging van de jaren twintig met de Filmliga als Nederlandse vertegenwoordiging daarvan. In die zin vormde hij ook de brug tussen het vooroorlogse gedachtegoed en de huidige filmgeschiedenis, die film als massamedium, onderdeel van populaire cultuur, beeldtaal en vorm van representatie onderzoekt, al is het kunstzinnige in de film zeker niet van de filmwetenschappelijke kaart verdwenen. Nico's empirisch-esthetische benadering was in zekere zin symptomatisch, want over de hele wereld is die benadering bepalend geweest bij de beginnende vakgroepen filmwetenschap. Je moet eerst het medium legitimeren, emanciperen, voordat het door de gremia als serieuze wetenschap wordt geaccepteerd. De esthetische benadering (film = kunst) was daarbij een goed middel in de strijd.
Daarnaast resulteerde de empirische houding in primair bronnenonderzoek, de basis voor wetenschappelijk onderzoek op filmhistorisch gebied, en verhief filmgeschiedenis zo boven de anekdote, ook al bleef die voor Nico wel belangrijk. Je moest het vertellen en - inherent daaraan - de lezer tenslotte niet uit het oog verliezen. Nico was dan ook een gewaardeerd causeur bij zijn studenten in Leiden en Amsterdam, en daarbuiten via zijn radiopraatjes over legendarische filmsterren en door zijn talloze lezingen bij filmhuizen en op congressen en symposia.

Toverlantaarns
Nico's dubbele rol als kunsthistoricus en filmhistoricus en zijn rol van emancipator bleek ook uit het benadrukken van de relatie tussen beeldende kunst en film. Hij spoorde zijn studenten dan ook aan dat verband te onderzoeken. Hiermee was hij in zekere zin een voorloper van wat de filmwetenschap nu als intermedialiteit aanduidt.
Nico had een voorliefde voor de zwijgende film, al voor de 'ontdekking' van de Desmet-collectie aan het eind van de jaren tachtig. Via hem leerden zijn studenten filmwetenschap Griffith, de Duitse expressionisten en de klassieke Russen waarderen. Nico 'ontdekte' daarna het zwijgende-filmfestival van Pordenone, de Giornate del Cinema Muto. Ieder jaar keek hij daar reikhalzend naar uit, moe van onderwijs en organisatie. Hij verkneukelde zich bij voorbaat bij visioenen van prosecco, funghi porcini en Charles Farrell, want hij hield van Italiaans eten en drinken en van de 'hunks' van zwijgend Hollywood. Na een moeilijke periode en na een jarenlange verzamelwoede op het gebied van video's van speelfilms, had hij zich gestort op het aankopen van toverlantaarns en de bijbehorende plaatjes. Binnen twee jaar had hij met zijn vriend Henk een collectie opgebouwd, waar een museum decennia over zou doen. Een uit de hand gelopen hobby, zou je kunnen zeggen, en opzienbarend genoeg om de televisie te halen. In hun huis gaven Nico en Henk menige voorstelling en de bedoeling was de komende tijd met de collectie te gaan toeren. Donderdag 24 augustus overleed Nico, veel te vroeg. De dinsdag daarop hebben vrienden en familieleden een afscheidsvoorstelling georganiseerd met toverlantaarnplaten en verhalen over zijn zo plotseling afgebroken leven.

Ivo Blom

Naar boven