Januari 2001, nr 218

Jacques Doillon

Altijd weer die explosies

In het romantisch-realistische Les petits frères wil regisseur Jacques Doillon een ander beeld van de Parijse buitenwijken geven, door niet alleen stoere, verveelde jongeren te tonen. Doillon: "Een wandelingetje door de wijk is niet genoeg."

Jacques Doillon (foto: André Bakker).

De Franse regisseur Jacques Doillon is niet bang voor clichés. In zijn films over kinderen voor volwassenen zoekt hij het melodrama, dat hij aan ons opdient als authentiek, alledaags realisme. En daar is hij soms aardig overtuigend in. Bijvoorbeeld in Ponette, een film die het David Hamilton-sentiment niet schuwde, maar die je ook als nooit tevoren de kinderwereld introk dankzij het volgehouden camerastandpunt op kleuter-ooghoogte dat iedere volwassene tot buitenstaander maakte. Sentimenteel is de regisseur ook in de presentatie van zijn werk. 'De samenleving negeert het beste deel van zichzelf', stelt hij in een voorwoord bij zijn laatste film Les petits frères, over de lotgevallen van een stel dertienjarigen in Pantin, een Bijlmer-achtige buitenwijk in Parijs. 'De pubers in de vervallen stadsdelen vervelen zich', schrijft Doillon. 'Moe van het voetbal, moe van het nooit-op-vakantie-gaan, moe van de armoede, gaan ze van kleine misdaadjes naar steeds grotere, om er uiteindelijk niets mee te winnen. Het is tijd dat deze kinderen eens op een andere manier bekeken worden. Dat hun vrolijkheid getoond wordt! Hun veerkracht! Hun levendigheid!'
Het is de opmaat voor een levendig relaas over de dertienjarige Talia, een Pantin-bewoonster die van huis wegloopt als haar handtastelijke stiefvader weer bij haar moeder en zusje intrekt. Op straat sluit ze zich aan bij vier jongens die, zonder dat Talia dit weet, uit stoerigheid haar hond ontvoeren om hem te verkopen aan oudere pubers die hondengevechten organiseren. De rest van de film beslaat Talia's 'Chacun cherche son chien' in Pantin, waarbij ze wordt geholpen door haar steeds schuldbewustere nieuwe vriendjes.

Molotov-cocktail
Het verhaaltje is de kapstok voor de Doillon-eigen studie van kindergedrag. Onder begeleiding van Franse buitenwijk-rap volgen we de jennerige gesprekken tussen de pubers, en dansen we met de camera achter ze aan, voor ze uit of om ze heen, terwijl ze duwend, trekkend, rollend en hangend hun dagen stuk slaan. Net als in Ponette, Le petit criminel en Le jeune Werther is het realisme met een romantisch randje: een Frans-mooi meisje in de hoofdrol, een aandoenlijke geschiedenis, een ritmische choreografie van puberbewegingen en camerazwaaien, en uitgebleekte kleuren om het aureool van buitenwijk-authenticiteit te onderstrepen.
Dat dit 'pure' uiterlijk het resultaat is van langdurig schaven en zwoegen is duidelijk, en Doillon zal de laatste zijn om dat te ontkennen, zo meldt hij in ons gesprek. Zijn fictie over het puberale leven in de buitenwijk raakt echter meer de realiteit dan een documentaire ooit zou kunnen, meent hij.
Doillon: "Ik heb nooit documentaires gemaakt, omdat de documentaire-vorm me niet zo interesseert. Wat ik met deze film wilde, is juist dat laten zien wat we in eerdere films, nieuwsfragmenten of reportages over deze buurten nog niet gezien hebben. Het zijn altijd de explosies die gefilmd worden in de buitenwijken. Het zal misschien drie dagen per jaar oorlog zijn in Pantin, maar dat zijn wel de drie dagen die gefilmd worden: molotov-cocktails, politie, nietszeggende taferelen. Terwijl de kinderen in die wijken zijn als alle kinderen, zij het dat ze leven in een gewelddadige situatie. Ze hebben niet de juiste nationaliteit, kleur, godsdienst. Ze doen het niet goed op school omdat Frans hun tweede taal is, omdat ze niet de ruimte hebben om te studeren. De meesten van hen eindigen in de criminaliteit of werkloos. Zonder een sociologische film te willen maken, wilde ik laten zien hoe deze kinderen losstaan van die gewelddadige omstandigheden. Niet als vreemde kinderen, maar juist als kinderen die als iedereen zijn: vrolijk, grappig, intelligent."

Linguïst
Om hun levensstijl te doorgronden was wel een lange voorbereiding nodig. "Voor deze film heb ik meerdere weken doorgebracht in de rechtbanken in Nanterre en Bobigny waar kinderen worden voorgeleid. Maandenlang heb ik met hulp van mijn dochter Lola en een assistente naar ze geluisterd, als een soort linguïst en socioloog. Een wandelingetje door de wijk is voor een film als deze niet genoeg. Iedere film betekent een jaar luisteren naar de kinderen om wie het gaat. Ik begin pas te schrijven als ik denk dat ik namens hen kan schrijven."
Een arbeidsintensief maar probleemloos verlopend project. Doillon benadrukt dat zijn amateuracteurs, die voor een deel afkomstig waren uit de bewuste wijken, alle vooroordelen logenstraften. Naarmate het project vorderde, raakten ze steeds meer betrokken. Laat komen was er niet meer bij. Doillon: "De enige echte complicatie was de casting. Eigenlijk schuilen er vijftig mogelijke films in deze film." Na de casting werd er uitgebreid geoefend met de camera, om de amateuracteurs te leren zich vrij te voelen. Voordat de opnames beginnen is het verhaal klaar en zijn de de dialogen uitgeschreven, maar daarmee staat de film nog niet voor honderd procent vast. Om alertheid en speelsheid te vergroten verandert Doillon ook tijdens het draaien soms nog wat aan de teksten van de acteurs, zonder dat zij dat allemaal te horen krijgen. Kleine wijzigingen die de onderlinge reacties spontaner maken.
Doillon: "Ik draai alles per sequentie en van verschillende kanten, om te kunnen zoeken naar de reactie die me het beste lijkt, naar toevalligheden die werken, bijvoorbeeld een lach die beter is dan voorzien. De camera verplaatsen we steeds heel snel tussen de takes. Je kan geen dertig of veertig takes maken met die kinderen, hoogstens vijftien, maar die vijftien maak ik heel snel, zonder licht, zonder gecompliceerde camerabewegingen. Het voordeel van snel werken is dat je bij je vijfde take nog maar vijftien minuten bezig bent. Filmen en praten moet voor amateurs door elkaar gaan lopen. Ik heb gezocht naar een manier van werken die het dramatische van het filmen vermindert, zodat de angst niet toeslaat."
Dat Doillon succesvol is in zijn kinderregie bleek vier jaar geleden toen de vierjarige Victoire Thivisol, hoofdrolspeelster in Ponette, de actriceprijs won in Venetië. Niet iedereen was het echter eens met die toekenning. Doillon werd een marionettenspeler genoemd die zijn kinderen kunstjes liet doen. Doillon: "Het gênante van de discussie rond Ponette was dat men zei dat ik het recht niet had om met kinderen van die leeftijd te draaien. Alsof een volwassene superieur is aan een kind. Mij interesseert een kind eigenlijk meer dan een volwassene. Als je mij ziet als marionettenspeler, dan denk je ook dat een kind van drie, vier jaar nog niks is, een pop. Terwijl als je met een kind van vier werkt, als je praat over vriendschap, liefde, passie, verlatenheid, dan kent het natuurlijk die gevoelens. Ze weet alles van het gevoel verlaten te worden als moeder weggaat, van gevoelens van jaloezie tegenover een broertje, enzovoort. In mijn regie van Victoire toen, en van de kinderen in Les petis frères nu, heb ik nooit hoeven dwingen. Ik heb onderwezen en voorgedaan, maar nooit heb ik iets hoeven forceren."

Jann Ruyters


Les petits frères

Iedereen steelt

Jacques Doillon is als geen ander in staat de belevingswereld van kinderen te doorgronden en naar film te vertalen. Hij doet dat bij voorkeur door gesprekken weer te geven die ze met elkaar voeren. Toch levert dat, zeker in het geval van Les petits frères, geen statische, maar juist een zeer beweeglijke film op.

Les petits frères: Talia en Kim.

In Le jeune Werther, een film van Jacques Doillon uit 1993, probeert een groepje scholieren te achterhalen waarom een van hun klasgenoten zelfmoord heeft gepleegd. De confrontatie met de dood is een gewichtig iets, en dat beseffen ze zelf maar al te goed. Ze voeren Ernstige en Bezorgde gesprekken op het schoolplein over belangrijke zaken als Liefde en Dood. Opeens bevinden ze zich op een terrein dat voorheen voorbehouden leek aan volwassenen.
Dat is in zekere zin ook het geval in Les petits frères. Ook hier richt Doillon zich op een groepje pubers van een jaar of dertien uit een Parijse buitenwijk, dat in een wereld leeft die niet des kinds lijkt te zijn. Een wereld van criminaliteit en werkloosheid, misbruik en verwaarlozing, waarin ze voor zichzelf moeten opkomen omdat niemand anders dat doet. Maar hoe akelig de wereld ook is waarin de kinderen van Doillon zich bevinden en met welke gebeurtenissen ze ook te maken krijgen, het blijven altijd kinderen. Zelfs als ze leven in een wereld die ons vreemd is, zoals in Les petits frères, zijn hun gevoelens, reacties en gedrag herkenbaar. Als een van de hoofdfiguren onderhandelt over de prijs van een pistool, is hij nog steeds dezelfde jongen die in het voorbijgaan quasi-stoer een ring in de hand drukt van het meisje waar hij verliefd op is.

Pitbull
De kinderen die Doillon in zijn films opvoert, staan altijd op de een of andere manier aan de rand van volwassenheid, zijn bezig hun onschuld te verliezen. Talia is dertien en woont in een achterbuurt van Parijs. Haar moeder is letterlijk en figuurlijk grotendeels uit beeld verdwenen, ze heeft een stiefvader met wie ze al in de eerste scène van de film daverende ruzie heeft omdat ze hem ervan verdenkt een vriendinnetje misbruikt te hebben. Ze zwerft met haar pitbull Kim over straat en trekt op met een aantal jongens die 's nachts haar hond stelen om te verkopen. Talia is ontroostbaar en doet alles om haar hond terug te vinden. Ze wordt daarbij geholpen door diezelfde jongens, die toch wel medelijden met haar hebben, al houden ze wijselijk hun mond over hun eigen aandeel in de zaak. De film bestaat grotendeels uit straatscènes, jongeren die bij elkaar hangen en zich onledig houden met zaken die soms nog als baldadige spelletjes beschouwd kunnen worden, maar vaker gewoon als criminaliteit. Niet voor het gewin of uit wreedheid, maar omdat iedereen het doet, ze niets beters om handen hebben en om hun vriendjes af te troeven.
De voortdurende interactie met elkaar zorgt voor spanning en beweging in de film. Doillon heeft goed gekeken en geluisterd naar hun gedrag, hun taal, en dat op zuivere en natuurlijke manier weten in te bedden in het fictieve verhaal dat hij vertelt. Hij combineert de kracht en emotionele impact die fictie kan hebben met de waarachtigheid van de documentaire benadering.
Er wordt niet met een beschuldigende vinger gewezen naar afwezige ouders of een falend maatschappelijk bestel. Die vormen slechts een als vanzelfsprekend aangenomen context. Er is een scène waarin op een wat geforceerde wijze geconverseerd wordt over de gewoonte van stelen die overgaat van generatie op generatie. Voor het overige ontbreekt elke uitleg, en richt Doillon zich uitsluitend op de belevingswereld van de kinderen. Of beter: van elk kind. Dat heeft mooie scènes tot resultaat, waarin stoerheid en kwetsbaarheid, hardheid en mededogen, onthechting en betrokkenheid elkaar voortdurend afwisselen.

Petra van der Ree

Les petits frères
Frankrijk, 1999
Productie: Marin Karmitz
Regie en scenario: Jacques Doillon
Camera: Manuel Terran
Montage: Camille Cotte
Geluid: Jean-Pierre Duret, Dominique Hennequin
Met: Stéphanie Touly, Iliès Sefraoui, Mustapha Goumane, Nassim Izem
Kleur, 92 minuten
Distributie: Upstream Pictures
Te zien: vanaf 4 januari

Naar boven