Februari 2002, nr 230

Hundstage

Lelijke levens in Wenen

Ulrich Seidl, de op shockeren beluste Oostenrijkse documentairemaker, regisseerde zijn eerste 'speel'film. Hundstage gaat over de hondenlevens van de inwoners van Wenen tijdens de heetste dagen van het jaar.

Aangespoelde vis in de gloeiende zon.

De documentaires van Ulrich Seidl (Models, Tierische Liebe) hebben hem de reputatie van genadeloos en controversieel filmmaker opgeleverd. Hij laat de toeschouwer getuige zijn van de meest onverkwikkelijke, om niet te zeggen stuitende taferelen en maakt hem daarmee tot voyeur. Seidl zet bovendien de werkelijkheid naar zijn hand door documentair materiaal te vermengen met geënsceneerde situaties. Schokkend zijn zijn films echter vooral door de verregaande bereidheid van zijn personages om het publiek deelgenoot te maken van hun intimiteiten. Nu Seidl zijn eerste fictiefilm heeft afgeleverd, doet zich iets dergelijks voor, omdat ook hier, in zijn streven naar authenticiteit, een soort mengvorm ontstaan is. De meeste 'acteurs' zijn geen professionals, maar gewone mensen wier werkelijke levens dicht bij de personages liggen die zij spelen. Nu zijn er genoeg filmmakers die op deze manier werken, maar Seidl is er een meester in om die levens in hun meest banale, lelijke en stompzinnige vorm over het voetlicht te brengen.

Grasmaaimachine
Hundstage speelt zich af tijdens de warmste dagen van het jaar, in een Weense buitenwijk, omgeven door snelweg, parkeerterrein en meubelboulevard. De titelsequentie toont bleke lijven die als aangespoelde vissen in de gloeiende zon liggen. Maar door de witte, gesloten gevels, aangeharkte gazonnetjes en het veel te felle licht krijgen de beelden iets kouds en steriels. De strakke orde in de straten en tuintjes, en in de ritmiek van de beelden die bovendien opvallend vaak symmetrisch van compositie zijn, maken de geestdodende omgeving tot een strak keurslijf waarin mensen geen enkele vrijheid meer lijken te hebben. Het is vooral achter gesloten deuren dat perversie, agressie en machtswellust woekert, aangewakkerd door hitte, verveling en eenzaamheid. Een dikke bejaarde man heeft last van zijn buren; om hun lawaai te overstemmen zet hij naast de heg zijn grasmaaimachine op volle sterkte aan, en gaat zelf binnen zitten. Een vrouw laat zich als liftster oppikken en stelt wildvreemden de meest impertinente vragen. Een lerares van middelbare leeftijd laat zich moedwillig vernederen en misbruiken door haar zogenaamde minnaar. Het zijn scènes die de lachlust opwekken, maar die tegelijkertijd diepbedroevend zijn.
Een normale vorm van communicatie komt in de hele film niet voor: er wordt gedreigd, gescholden, gezwegen, maar gewoon gepraat wordt er nooit. Macht en vernedering is een tweede rode draad. Het is soms meesterlijk hoe Seidl zijn personages introduceert: in een van de eerste scènes zien we een vrouw in een ingewikkelde pose in een seksclub. Ze kleedt zich aan, verlaat het pand dat uitkomt in een winkelcentrum en doet de rest van haar boodschappen. Seks, in deze scene een consumptieartikel als elk ander, is voor de vrouw geen vorm van intimiteit, maar een wapen in de strijd met haar man. Seidl spaart zijn personages op geen enkele manier. Hij toont hun uitgezakte, te dikke lijven in hun meest intieme momenten: op het toilet, naakt voor de spiegel of in hun ondergoed. Het brengt mensen die in hun lelijke treurigheid ver van je afstaan dichterbij, waardoor ze geen karikaturen worden, maar iets van hun menselijkheid behouden.

Petra van der Ree

Hundstage
Oostenrijk, 2001
Productie: Helmut Grasse, Philippe Bober
Regie: Ulrich Seidl
Scenario: Ulrich Seidl, Veronica Franz
Camera: Wolfgang Thaler
Montage: Andrea Wagner, Christof Schertenleib
Geluid: Ekkehart Baumung
Met: Maria Hofstatter, Georg Friedrich, Erich Finsches, Alfred Mrva
Kleur, 121 minuten
Distributie: Filmmuseum
Te zien: tijdens het Filmfestival Rotterdam en vanaf 28 februari in de filmtheaters

Naar boven