Maart 2002, nr 231

Tsai Ming-liang

Een Taiwanese Don Quichote

De Taiwanese regisseur Tsai Ming-liang heeft het tergend langzaam ontleden van eenzame levens in de grote stad tot handelsmerk verheven. Zijn nieuweling What time is it there? brengt meer van hetzelfde, maar toch weer anders. "Als ik mijn eigen werk terugzie, heb ik vaak het gevoel dat iets buiten mij de film heeft gemaakt en niet ikzelf."

Tsai Ming-liang en Lee Kang-sheng (l.) (foto: André Bakker).

Weinig regisseurs zullen zo snel een status als 'Aziatische grootmeester' hebben verworven als de Taiwanees Tsai Ming-liang. En dat terwijl hij tijdens het maken van zijn doorbraakfilm Vive l'amour (1994) nog dacht dat kijkers van buiten zijn woonplaats Taipei er nauwelijks raakvlakken mee zouden kunnen vinden. Alsof hij verstijfd werd door de wereldwijde jubelstemming op festivals maakte The river (1997) een wat lethargische indruk, maar hij revancheerde zich met The hole (1998). Met What time is it there? houdt hij die vorm overtuigend vast.
Opnieuw speelt Tsai's vaste acteur Lee Kang-Sheng de hoofdrol als Hsiao Kang, een Taipeise straatventer die horloges verkoopt en verliefd wordt op de knappe Shiang-chyi (Chen Shiang-chyi). "Zijn gezicht verandert steeds, het wordt steeds interessanter, ik blijf er maar naar kijken", zegt Tsai over zijn alter ego. "Ik kan er geen hekel aan krijgen. Wat wij hebben lijkt op een vader-zoon relatie, maar met het verschil dat hij de vader is en ik zijn zoon, ondanks het feit dat hij tien jaar jonger is dan ik. Hierdoor zijn we gevangen en het is misschien zo dat hij me in mijn creatieve proces beperkt. Maar beperking betekent soms ook een ontwikkeling van andere dingen via andere wegen. Zijn gezicht dwingt me dieper op de materie in te gaan en risico's niet uit de weg te gaan."
Op voor Tsai typerende wijze volgt er op dit serieuze antwoord een luchtige kwinkslag. "Als Hsiao Kang en ik films maken komen we altijd in conflict met onszelf: we vragen ons dan af waarom we geen Hollywoodfilms maken, want daar zijn we toch mee opgegroeid? Dan kan ik eindelijk eens een villa met zwembad kopen!"

Hete tranen
Hoewel What time is it there? begint met een verliefheid, eindigt de film in eenzaamheid en seksuele bevrediging die geen verlossing brengt. Het is dus weer treurnis troef, maar nog altijd houdt Tsai van zijn personages en waakt ervoor zielloze ellende over de kijkers uit te storten. Bovendien voegt hij daar prikkelende dissonanten aan toe. Enerzijds blijkt de rol van de vader na diens dood allerminst uitgepeeld, anderzijds is het verlangen tussen Shiang-chyi en Hsiao Kang zo sterk dat hun handelingen ondanks de kortstondige ontmoeting en de kloof van duizenden kilometers dezelfde onvoorspelbare patronen volgen. "De vader vervult zo'n belangrijke rol in de film omdat zowel mijn vader als die van Hsiao Kang is overleden. Het is niet zozeer dat ik de gevoelens voor mijn vader uit, maar eerder 'de dood' wil bespreken en de relatie wil bekijken tussen de moeder en het kind, die moeten leren omgaan met het verlies. De belangrijkste vraag die ik met de film wil stellen is: wat brengt de dood ons? Is het het verdriet om het verlies dat de boventoon voert, of is het de angst voor de eigen dood die ze tegemoet zien? En wat betekent de dood voor de mensen die leven?"
Hsiao Kang raakt zo door Parijs geobsedeerd dat hij een Franse film op video huurt. Het is Truffauts Les 400 coups. Het licht van de tv flikkert door het verdonkerde appartementje in Taipei. Hsiao Kang kruipt onder de dekens en huilt hete tranen. In Parijs ontmoet Shiang-chyi de hoofdrolspeler uit die film, Jean-Pierre Léaud. Ze zitten op een bankje op een kerkhof terwijl er gênante pogingen tot conversatie worden ondernomen. Precies, Truffauts meesterwerk betekent veel voor Tsai. "Hoe je leven zich ook afspeelt, er is altijd wel iets of iemand die een speciale rol vervult. De moeder in What time is it there? mist haar man ontzettend en het bijgeloof helpt haar de moeilijke tijd te overbruggen. Op zijn beurt kijkt Hsiao Kang naar Les 400 coups om zich staande te houden. Voor mij is het niet alleen een meesterlijke en ontroerende film, maar ook een mijlpaal in mijn leven omdat het de eerste Europese film was die ik zag."

Draak
In Rotterdam valt al jaren te constateren dat het leeuwendeel aan interessante titels uit Azië komt, en Tsai heeft zich intussen geschaard tussen de Oosterse lievelingen van Europese festivalgangers. De regisseur reageert kordaat: "Dat is net zo min toeval als dat in de jaren zestig de meest interessante films in Europa werden gemaakt. Niet alles in de kunst heeft te maken met culturele ontwikkelingen. Op het moment zijn er in Azië veel politieke veranderingen gaande, terwijl men zich steeds meer openstelt voor de rest van de wereld. Dat gaat gepaard met veel onderlinge concurrentie om te laten zien wie zich het snelst kan aanpassen. Er is in Taiwan zo hard gewerkt dat het land zich een 'draak', een economische peiler, kan noemen. Maar daardoor veranderden allerlei structuren zoals het gezinsverband. Niet iedereen kan meedoen aan de vooruitgang, de kloof tussen arm en rijk wordt groter, er ontstaat veel geestelijke armoede en milieuproblemen, alles draait om geld en macht. Juist al deze dingen hebben zich bij ons geuit in de kunst.
"Ondanks onze gestage modellering naar het Westen is het verschil tussen jullie en onze cultuur nog steeds erg groot. Voor Chinezen is geld erg belangrijk. Dat beperkt ons. Maar we blijven cultureel streven naar het vinden van een bepaalde betekenis in ons leven. Angst speelt daarbij een grote rol. We zoeken naar een doel, we zijn onzeker, en daarom ook erg gesloten. Hoewel, eigenlijk moet ik het niet over 'we' hebben. Mijn films vertegenwoordigen mijn visie, niet die van Taiwan. Ik denk dat de realiteit van Taiwan steeds meer gaat verschillen met het beeld dat ik in mijn films schets."

Roddels
Het hoofdthema van Rotterdam dit jaar luidde 'What is cinema?', wat menig liefhebber en filmmaker krampachtige antwoorden ontlokte. Tsai Ming-liang, de grote afwezige in Rotterdam, blijkt echter een goede gesprekspartner om te filosoferen over het medium en over zijn eigen schijnbaar paradoxale preoccupaties. "De belangrijkste reden waarom ik deze weg bewandel is omdat ik creatief wil zijn. Voor mij is filmmaken iets natuurlijks dat niet wordt beperkt door keuzes. Als ik mijn eigen werk terugzie, heb ik vaak het gevoel dat iets buiten mij de film heeft gemaakt en niet ikzelf. Vaak zet ik de camera neer en wacht totdat het spel gespeeld wordt. Ik weet dan ook niet wat de betekenis van cinema is. Cinema zal vast iets betekenen, maar wat dat is, dat hebben we nog niet ontdekt. Daardoor voel ik me soms een Don Quichote, die niet weet wat hij doet."
De voortschrijdende techniek en de nadruk die daarop wordt gelegd baren Tsai duidelijk zorgen. "Machines en computers doen me niets, ik kan er geen gevoelsmatige band mee opbouwen, maar dat is mijn probleem. Aan de andere kant, als je bewust bent van wat je in het leven moet doen is techniek overbodig. Een voorbeeld: in de bioscoop nemen mensen hun mobiele telefoon mee. Ik begrijp niet wat ze willen, een film zien of bellen. Mensen doen tegenwoordig allerlei dingen tegelijk, maar dat leidt ze slechts af. Een computer is handzaam maar heeft niets te maken met de gedachte. Ik heb wel eens een film digitaal gemonteerd en dat ging snel, maar nu werk ik weer volgens de traditionele methode waarbij het tempo veel lager ligt. Dan kan ik mijn gedachten erover laten gaan, even een kop koffie drinken.
"Ik wil dat men naar mijn films kijkt en erover nadenkt. Het is belangrijk dat het publiek meeleeft met de personages, maar het is misschien wel belangrijker dat je als filmmaker een doelgroep voor ogen hebt. Men zegt dat er in mijn films veel wordt gehuild. Maar het publiek hoeft van mij niet te huilen. Het is juist gewoon geworden om om films te huilen. In de kunst en de media zijn de zaken zo afgebakend, dat is jammer. Film moet zogenaamd alleen vermaak zijn, terwijl kunst verheven moet zijn."
Als ik zeg dat met name tijdens de jaren zeventig die twee gebieden elkaar in de cinema vaak overlapten, raast Tsai verder: "Precies, en die ruimte wil ik induiken. De film is veel te populair geworden en heeft daardoor een vaste vorm gekregen. Het bestaat uit dialoog, muziek en een verhaal. Als mensen iets anders zien zijn ze van slag. Maar dat moet gebeuren, mensen moeten zich ook vragen stellen en niet alleen naar de bioscoop gaan om te kijken naar roddels en te luisteren naar lekkere muziek! Vanaf het begin van de cinema heeft men zich afgevraagd wat voor mogelijkheden de film heeft, behalve kunst en vermaak. Ik denk dat door de commercie van nu de kansen voor mensen die films willen maken waarover je kan nadenken worden beperkt."

Confrontatie
Laten we de techniek achterwege dan komen we bij het gevoel. Tsai maakt de soms dunne scheiding tussen hoop en wanhoop in What time is it there? weer eens pijnlijk tastbaar. Met loepzuiver camerawerk smeedt hij een donkere synthese van de ruimtelijke en geestelijke afstanden tussen mensen. Maar de lange slotscène waarin de overleden vader in Parijs zijn opwachting maakt, ging ondergetekende boven de pet. Gelukkig wuift Tsai mijn veronderstelde domheid weg, al is de suggestie dat ik de film dan nog maar eens moet zien welkom: "Daar heb ik niets op tegen, neem vooral je vrienden mee! En praat erover. Eenieder die de film ziet zal er verschillende ideeën over ontwikkelen. Ik wil het einde niet uitleggen, dat is niet belangrijk: ik wil mijn kijkers niet overheersen." Schaterend: "Mensen die van mijn oeuvre houden zijn dan ook slim, zij die het verfoeien kan ik geestelijk makkelijk inschatten!"
Tsai Ming-liang is een serieuze regisseur die zware existentiële films maakt, maar hij schuwt de kwinkslag niet. In de constante stroom van grapjes die hij tijdens het gesprek maakt, weerspiegelt iets van een diepere emotie, die ook in zijn pretoogjes te zien is. Een Taiwanese Don Quichote, zo slecht is die zelfgekozen vergelijking misschien helemaal niet. "Laatst was ik in Lausanne om mijn film te promoten. Er was weinig publiek, zo'n zeventig man. Een handvol bleef over voor een discussie na afloop. Op de eerste rij zat een verliefd paartje elkaar flink te omhelzen. Dat vond ik heel raar. Als je niet geïnteresseerd bent in wat ik te zeggen heb, ga dan weg, ga elkaar niet zo demonstratief recht voor mijn gezicht zitten aflikken. Maar ik kon ze niet terechtwijzen en tenslotte kon ik niets anders uitkramen dan 'Mijn God, jullie zijn echt gelukkig!'"

Mike Lebbing

Ni neibian jidian (What time is it there?)
Taiwan/Frankrijk, 2001
Productie: Bruno Pesery
Regie: Tsai Ming-liang
Scenario: Tsai Ming-liang, Yang Pi-ying
Camera: Benoit Delhomme
Montage: Chen Sheng-chang
Art direction: Yip Kam Tim
Met: Lee Kang-sheng, Chen Shiang-chyi, Lu Yi-ching, Miao Tien, Cecilia Yip, Jean-Pierre Léaud e.a.
Kleur, 116 minuten
Distributie: Filmmuseum
Te zien: vanaf 7 maart

Naar boven