Juli/Augustus 2003, nr 246

Nieuwe Zuid-Koreaanse cinema

Kamelen bij een drinkplaats

De opleving van de Zuid-Koreaanse film bereikte Nederland voor het eerst via het Filmfestival Rotterdam. Deze zomer kan ook de bioscoopbezoeker via The isle en Bad guy kennismaken met een van de toonaangevendste filmculturen van dit moment. Hoe is het de Zuid-Koreaanse cinema vergaan sinds het bloedbad in Kwanju?

De eerste keer dat ik een film uit Zuid-Korea zag, was in 1997, in Rotterdam. Voor de Dagkrant ging ik een zekere Jang Sun-Woo interviewen, en dus bekeek ik een aantal van zijn films. Dat was mogelijk, want Jang Sun-Woo was 'Filmmaker in focus'. Het festival vertoonde maar liefst acht van zijn films. Koud op mijn dak kwam A petal (1996), een film waarvan ik de beelden nog steeds voor me zie. Een meisje in een jurkje, zwervend langs een eindeloze weg. Een man die haar pad kruist, die haar mee naar huis neemt, afranselt en verkracht, steeds weer opnieuw. Daar zat de schok, in de kale herhaling van de afgrijselijke toedracht, en in het feit dat het meisje bleef, zelfs weigerde weg te gaan.
Dat hij was "getraumatiseerd door het bloedbad in Kwangju", zou Jang Sun-Woo later in het interview vertellen. Tegenover me zat een 45-jarige man uit Zuid-Korea met een wilde, punkerige haardos en een opvallend scherpe blik. Hij vertelde over de militaire dictatuur, over het ondergrondse verzet, over dat ene lange jaar, 1980, waarin het bloedbad van Kwangju had plaatsgevonden, een bruut neergeslagen bevolkingsopstand die illustreerde dat het leger zijn greep op de bevolking begon te verliezen. Als gevolg daarvan was de opstandige film- en theatermaker samen met dieven en verkrachters in de gevangenis gezet. Een half jaar lang, isoleercel incluis.

Kamer 407
Zuid-Korea heeft ondertussen het democratische gezicht gekregen waar men in 1980 in Kwangju nog vergeefs voor demonstreerde. Het land heeft inmiddels ook een van de bloeiendste Aziatische filmculturen, zo niet de bloeiendste. In 1984 werd de gemonopoliseerde financieringsstructuur opengebroken en een onafhankelijke productiesysteem ingesteld. Het werd mogelijk om buitenlandse artfilms te importeren. Het belangrijkste verschil met Nederland is dat veel distributeurs hun opbrengsten van bijvoorbeeld de videomarkt in nieuwe, gedurfde speelfilms investeren. En daarbij veel risico's willen nemen.
Jang Sun-Woo kwam in 1997 naar Rotterdam, voor een spraakmakend retrospectief van zijn werk. Hij vond het mooi om in Rotterdam zijn twintig jaar jongere landgenoot Hong Sang-Soo in de Tiger-competitie aan te treffen, en een prijs te zien winnen. Hij noemde The day a pig fell into the well (1996) een intrigerend debuut. Het in 1996 opgerichte Pusan International Film Festival (PIFF) vond hij ook een goed initiatief: "Het leuke van Pusan is, dat ik er heel veel jonge mensen tegenkom, uit alle geledingen van de maatschappij."
Toch bleef Jang Sun-Woo in 1997 ook nog wat voorzichtig. Logisch. Niemand, ook het kopstuk van de Zuid-Koreaanse onafhankelijke cinema niet, kon bevroeden dat de nieuwe generatie Zuid-Koreaanse filmmakers zo succesvol zou worden. Dat het filmfestival van Pusan de filmfestivals van Hongkong en Singapore voorbij zou streven, en in een paar jaar tijd zou uitgroeien tot het meest toonaangevende filmfestival in de Aziatische wereld, was in 1997, kort na de eerste editie, niet meer dan een droom.
In het internationale festivalcircuit waren de ontwikkelingen de laatste jaren goed te volgen, zeker in Rotterdam, waar de Tiger-competitie in 1998 bijvoorbeeld aandacht vroeg voor Motel Cactus (1997), het debuut van de 26-jarige Park Ki-Yong. Motel Cactus draait om een hotelkamer waar vier verschillende stelletjes op verschillende tijdstippen met elkaar naar bed gaan. Mooi gefotografeerd door Christopher Doyle, maar het gaat er in kamer 407 niet altijd vrolijk aan toe. Precies zoals in
Lies (1999) van leermeester Jang Sun-Woo, een pittig staaltje erotica dat zich bijna uitsluitend afspeelt in een slaapkamer waar een oudere man en een schoolmeisje obsessief de liefde bedrijven. In het schitterend geïmproviseerde, met de digitale camera gedraaide Camel(s) (2001) van Park Ki-Yong zijn het twee veertigers die de nacht doorbrengen op een steriele hotelkamer, om daarna weer opgeslokt te worden in de verkeersdrukte. Het is een beklemmende 'blind date'. De gelieven voor één nacht zijn net kamelen bij een drinkplaats. Ze leggen een watervoorraad aan, om daarna weer heel lang voort te kunnen.
En het houdt niet op, de emotioneel geladen zoektocht tussen de lakens. In het hypnotiserende Turning gate (2002) van Hong Sang-Woo die eerder zijn The day a pig fell into the well met een Tiger Award bekroond zag, is het een werkloze acteur die van bed naar bed strompelt. Als een vrouw hem zijn liefde verklaart, vlucht hij weg. Als een andere vrouw dat niet doet, raakt hij in paniek en smeekt hij om een liefdesbetuiging.
Dit jaar won het relatiedrama Jealousy is my middle name van debutante Park Chan-Ok een van de drie Tiger Awards in Rotterdam.

Korset
Seks na de dictatuur, zou je kunnen denken, maar dat klinkt wat al te bevrijdend. De clou is vaak de wanhoop die recht door de ziel snijdt. Philip Cheah, directeur van het Singapore International Film Festival, omschreef Camel(s) als een zeer realistisch portret van de emotionele kaalslag in de Aziatische landen. Hij wees vooral op het strenge arbeidsethos en de strikte omgangsvormen die als een wurgend korset alle emoties inbonden. De man in Turning gate moest wel werkloos zijn, om het een en ander te kunnen ervaren. En hoe vrolijk een film als Take care of my cat (2001) aanvankelijk ook mocht ogen, met giechelende Koreaanse tienermeisjes, verslaafd aan hun mobiele telefoontjes, het meisje dat in een keurig uniformpje op kantoor belandde, had uiteindelijk geen tijd om voor de kat te zorgen die ze op haar verjaardag cadeau had gekregen.
Hoe het bestaan gereduceerd is tot pissen, vissen en neuken is te zien in The isle (2000) van Kim Ki-Duk. Het is een van de wonderlijkste films uit Zuid-Korea, die na een rondgang in het internationale festivalcircuit nu ook eindelijk de Nederlandse bioscoop bereikt. Een meisje dat verkracht wordt door haar leraar, zoals te zien in Teenage hooker became killing machine in Daehakroh (2000), is een opwindend staaltje experimentele cinema uit Zuid-Korea dat de bioscoop wel nooit zal bereiken. Maar als een hyperenergieke en uiterst vindingrijke variatie op het klassieke rape-revenge motief legt de film een ongebreidelde experimenteerdrift bloot, die met een filmmaker als Jang Sun-Woo ergens in de jaren tachtig begon. Zijn Matrix-achtige musical Resurrection of the little match girl was begin dit jaar in Berlijn te zien.
Er zullen ongetwijfeld meer verklaringen zijn voor het succes van de Nieuwe Zuid-Koreaanse Cinema, maar mijn verhaal begint en eindigt met Jang Sun-Woo. De regisseur die seks en politiek tot onderwerp van zijn films maakte in een tijd dat dat nog verboden was en de isoleercel wachtte. Die in Seoul Jesus (1986) al een psychisch gestoorde man als Jezusfiguur opvoerde. In Oasis (2002), de bekroonde film van Lee Chang-Dong die in november in bioscopen te zien zal zijn, ontfermt een jongen zich over een zwaar gehandicapt meisje dat ergens wegkwijnt op een kamertje. Hij heeft seks met haar, rebels, zoals Jang Sun-Woo het zelf ook nog steeds laat zien.

Belinda van de Graaf

The isle: Allesverterende liefdesgeschiedenis.


The isle & Bad guy

Vlam in het duister

De liefhebbers van kunstzinnige Aziatische cinema komen deze zomer beslist aan hun gerief: met The isle en Bad guy gaan er maar liefst twee films uit van Kim Ki-Duk, een van de interessantste Zuid-Koreaanse cineasten. Een kleine waarschuwing is echter op zijn plaats.

Bad guy: De rosse buurt van Seoul.

De vertoning van The isle op het Filmfestival Rotterdam 2001 was niet alleen vanwege de eigenzinnige film zelf een aparte ervaring. Nadat het voorgaande jaar bij Takashi Miike's mokerslag Audition de bezoekers bij bosjes de zaal verlieten stond er tijdens The isle niemand op, en dat terwijl regisseur Kim Ki-Duk toch een aantal even schokkende taferelen toonde. Zo slikt de hoofdrolspeler een vislijn met haak en al door om die vervolgens langzaam en met veel bloedvergieten terug te trekken. Later herhaalt zijn tegenspeelster die handeling met een niet minder gruwelijke variatie. Telde na de coup van Takashi Miike een gewaarschuwd mens voor twee? Of liep en bleef de zaal juist vol juist vanwege de reputatie van 'die film met vishaken'?
Hoe dan ook, wat goed is komt snel: Kim Ki-Duks ster was zo rap gestegen dat een jaar later zijn nieuwe film Address unknown een van de publiekstrekkers van Rotterdam bleek. De hype was in dit geval terecht. Kim Ki-Duk, die na een ruig en avontuurlijk leven op zijn vijfendertigste debuteerde zonder enige filmscholing, maakt razend interessante films over buitenstaanders in de maatschappij. Zijn werk is weliswaar keihard, bloederig en meedogenloos, maar in Kims duisternis brandt altijd een vlam - de films ademen tevens een enorme oerkracht en liefde uit. Zijn werk is ook fraai van stijl en doet in de uitgekiende composties en het kleurgebruik denken aan de Japanse artfilm, hetgeen bewondering afdwingt gezien de povere budgetten waarmee Kim Ki-Duk werkt.

Duivels
The isle vertelt een allesverterende liefdesgeschiedenis in een idyllische setting. Hee-Jin exploiteert een aantal minuscule woonbootjes op een fraai gelegen meer, waar toeristen komen om te vissen. 's Nachts kunnen ze tegen betaling gebruik maken van haar lichaam. Hee-Jin is een intrigerende vrouw. Ze is beeldschoon maar spreekt geen woord en haar duivelse ogen verraden een zwartgeblakerde ziel. Op een dag komt een even zwijgzame toerist een bootje huren. Het is Hyun-Shik, die ooit zijn vriendin heeft omgebracht en sindsdien alleen aan zijn eigen dood kan denken. Na een mislukte zelfmoordpoging wordt hij door Hee-Jin verzorgd en zo ontstaat er tussen de twee een complexe en morbide affaire die niet alleen hun eigen geestelijke en lichamelijke gezondheid aantast, maar zelfs een gevaar voor buitenstaanders begint te vormen.
Kim voert de intensiteit op als in een horrorfilm, maar al bevat The isle enkele gruwelijke momenten en spannende scènes, in essentie is dit een donker- romantisch drama waarin hij bovendien voor Koreaanse begrippen erg ver gaat in het verkennen van mannelijke en vrouwelijke seksualiteit. In dat licht moet men ook de laatste shots van de film zien: Kim weet daarin te pieken met de wat mij betreft meest betoverende eindscène van de laatste jaren, een geheimzinnig, surrealistisch statement over de afstand tussen vrouwen en mannen, dat lang na het verlaten van de filmzaal door het hoofd blijft spoken.

Glasplaten
Het contrast tussen The isle en Kims nieuwste film Bad guy is op het eerste gezicht enorm. Bad guy speelt zich af in de lawaaierige rosse buurt van Seoul, waar de brute pooier Han-Gi (Cho Je-Hyun) een bizarre liefdesrelatie onderhoudt met het hoertje Sun-Hwa (Seo Won). Han-Gi heeft de studente, nadat ze hem eerder op straat had afgewezen, via chantage tot prostitutie gedwongen. Hij wil haar ten koste van alles in zijn greep houden en vernederen; daartoe bespiedt hij haar met haar klanten heimelijk vanachter een valse spiegel. Maar zijn wraak is allesbehalve zoet. Sun-Hwa wordt populair en zet Han-Gi's trawanten tegen hem op. En dan komt Kims weerkerende hoofdthema duidelijk naar voren: na een reeks vreselijke gebeurtenissen beseffen de twee dat ze tot elkaar veroordeeld zijn en alleen met elkaars overlevingskracht verder kunnen in een krankzinnige wereld.
Bad guy leverde in Zuid-Korea de nodige controverse op doordat Kim onbarmhartig toont hoe Sun-Hwa de ene na de andere vernedering ondergaat en in de epiloog een voor veel kijkers moeilijk te slikken keuze maakt. Maar ook Han-Gi krijgt aardig wat voor de kiezen: in de Seoulse rosse buurt ligt de dood voortdurend op de loer en gaan pooiers elkaar met zorgvuldig afgesneden glasplaten te lijf, en ook dat resulteert in een paar momenten die alleen kijkers met een maag van schokbeton onberoerd zullen laten.
Wie de extreme scènes in The isle en Bad guy ziet - en het is moeilijk om je niet door die momenten bij de lurven te laten pakken - zou denken dat Kim Ki-Duk geobsedeerd is door de kwelling van het vlees. Maar niets is minder waar. Hij toont mensen die door de hel moeten gaan om een klein beetje geluk te vinden, met de wetenschap dat hun lichamelijke wonden helen maar dat de geestelijke verminkingen nooit zullen verdwijnen. De manier waarop hij dat doet, dan weer ingetogen, dan weer genadeloos hard, maar altijd met oprechte liefde voor zijn hoofdpersonen, maakt hem tot een van de meest interessante Aziatische filmmakers van de laatste jaren.

Mike Lebbing

The isle (Seom)
Zuid-Korea, 2000
Productie: Eun Lee
Regie en scenario: Kim Ki-Duk
Camera: Whang Suh-Shik
Montage: Kyung Min-Ho
Muziek: Jeon Sang-Yoon
Met: Jung Suh, Kim Yoo-Suk, Park Sung-Hee, Cho Jae-Hyung, Jang Hang-Sun
Distributie: Upstream
Te zien: vanaf 17 juli

Bad guy (Nabbeun namja)
Zuid-Korea, 2001
Productie: Lee Seung-Jai
Regie en scenario: Kim Ki-Duk
Camera: Hwang Chol-Hyun
Montage: Ham Sung-Won
Muziek: Park Ho-Jun
Met: Cho Je-Hyun, Seo Won, Kim Yoon-Tae, Choi Duk-Moon, Choi Yoon-Young
Distributie: Bright Angel Distribution
Te zien: vanaf 14 augustus

Naar boven