September 2003, nr 247

Dagur Kári

Spierwitte betovering

Ze lijken vastgevroren in de sneeuw, de dorpsbewoners uit de innemende IJslandse tragikomedie Nói albinói. Debuterend regisseur Dagur Kári houdt van contrasten. "Ik kijk graag naar palmbomen, daar word ik gelukkig van."

Dagur Kári.

In het uiterste noorden van IJsland ligt een dorpje dat in een magnetisch veld lijkt te liggen. Een paar jaar geleden bezocht ik dit plaatsje Siglufjörður waar slechts twee keer per week een bus stopt, maar waar het nog moeilijker was om weg te komen. Siglufjörður, ooit de haringhoofdstad van IJsland, is een geïsoleerde gemeenschap waar de meisjes dromen van een Italië dat niet bestaat. Een van de twee cafés, type Kaurismäki-bar, was de standplaats van een joviale man die zich impresario noemde. Ooit was hij in Siglufjörður aangewaaid tijdens een tournee met een allang vergeten pianist en is daarna eigenlijk nooit meer weggegaan. Overal in het dorp dook hij op, voornamelijk ver weggezakt in een verschoten leunstoel, om plotseling met brede glimlach op te veren als er een gast het café binnenstapte. Alsof hij hoopte dat zijn pianist was teruggekeerd, klaar om hem weer op te halen.
De vreemde aantrekkingskracht die dit soort dorpjes uitoefent, is ook mooi gevangen in Nói albinói, het innemende debuut van de IJslandse regisseur Dagur Kári (1973), over ploeterende mensen onder de laagstaande zon. De Nói uit de titel is een hoogbegaafde, onaangepaste tiener die op de meest onhandige manieren probeert te ontsnappen aan het dorpsleven. De film zit vol droge humor, maar stemt ook triest.
Dagur Kári tijdens een gesprek op het Filmfestival Rotterdam, waar zijn film in de Tiger Competitie draaide: "Er zijn vele voorbeelden van vreemdelingen die even een IJslands dorpje dachten te bezoeken om vervolgens nooit meer weg te gaan. Alsof een duistere betovering zich van hen heeft meester gemaakt. Ook Nói lijkt te zijn vastgevroren in de sneeuw.
"De sneeuw was op meerdere manieren onontbeerlijk voor de film. Sneeuw maakt alle kleuren helder waardoor je de natuur kan stileren. Ik kon zo mijn eigen universum maken. De sneeuw veroorzaakt ook een claustrofobische stilte, hij absorbeert alle geluiden. En de sneeuw maakt van elke handeling een fysieke gebeurtenis, want elke stap die je zet wordt zwaar, zelfs de meest alledaagse handelingen worden moeilijk. Sneeuw is het obstakel dat elke dorpsbewoner tegenhoudt.
"In dit gebied, de Westfjorden, was het blauwe licht erg bijzonder, zelfs voor IJslandse begrippen. Toch hou ik meer van wit licht dat ik achteraf kan inkleuren. Ik hou van contrasten. Zoals palmbomen en sneeuw." Het tropische eiland komt dan ook overal in de film terug: palmbomen op de kekke blouse van de ooit zo knappe maar nu verlopen vader, palmbomen op het behang, palmbomen op de verjaardagstaart. "Ik kijk graag naar palmbomen, daar word ik gelukkig van."
De film zit ook vol met lugubere details. Een omgevallen pan gekookt bloed bijvoorbeeld, of de scène waarin Nói het hulpje van de pastoor wordt en door hem via een walkie talkie in de vrieskou wordt gedirigeerd naar een nog te graven graf, waarna Nói op hilarische wijze probeert af te dingen op de diepte van het gat. De 'diepere betekenis' wordt nergens opdringerig. "Ik maak graag mythische, bijbelse toespelingen maar ik wil niet dat de kijker zich daar al te bewust van is. Die scène met de pan bloed is pure slapstick maar geeft je ook een hint dat er iets verschrikkelijk op stapel staat. Iedereen is doordrenkt met bloed, alleen Nói's spierwitte blouse is nog kraakhelder."

Verschrikkelijk
Tegen het einde van de film wordt het tempo van de grappen hoger, zodat de daaropvolgende tragische gebeurtenis des te harder aankomt. "Ik wil de kijker eerst aan het lachen maken en dan ineens, pof, de film laten escaleren. Ik begin al mijn verhalen met humor en verbind dat pas later aan iets tragisch. Zo kijk ik ook tegen het leven aan: ik lach me rot maar tegelijkertijd vind ik het allemaal verschrikkelijk."
Waar moet je naar toe als je met je ziel onder de arm loopt? Een typische dialoog uit Nói albinói is: "Ga je met me mee?" "Waar naartoe?" "Gewoon, weg." Dagur Kári: "Mijn eerste korte film Lost weekend gaat over een leraar die ontwaakt in een hotel en niet weet hoe hij daar is beland. Om verschillende redenen kan hij het hotel niet verlaten, hoe zeer hij het ook probeert. De film heeft precies dezelfde structuur als Nói albinói.
"Ik woon in Denemarken maar ik vond dat mijn eerste film zich in IJsland moest afspelen. Mijn volgende twee films zal ik niet in IJsland opnemen. Niet dat ik het land zat ben maar ik vind het makkelijker om buiten IJsland te werken, ik ken de taal en de omstandigheden zo goed dat ik het moeilijk vind om er fictie in te zien. Enige afstand is noodzakelijk.
"Mijn volgende film is een Dogma-film. In het begin was het een enorme hype maar nu is het gewoon een van de vele methodes om een film te maken. Je loopt er ook niet meer mee te koop. Maar het kan niet eeuwig doorgaan, ik heb begrepen dat er nog vier worden gemaakt en dan houdt Dogma op te bestaan."

Verkeerslicht
Nói albinói is opgenomen in de drie dorpen Bolungarvik, Ísafjörður en Þingeyri in de Westfjorden, waar de jaren zeventig-interieurs nog voor modern moeten doorgaan. "Ik heb het script geschreven voordat ik die dorpjes bezocht. Ik kom uit Reykjavik en weet eigenlijk niets van het leven in dat soort afgelegen plekken. Alles draait er om de visindustrie maar in mijn film komt geen enkele vis voor, je ziet de haven niet eens. Dat heb ik expres gedaan. Ik heb alleen de dingen gebruikt die ik voor dit verhaal nodig had en daar paste vis gewoonweg niet in. Ik wilde een wereld bedenken die alleen in deze film bestaat en niet in werkelijkheid. Het is een mogelijke werkelijkheid met zijn eigen logica en wetten, tussen realisme en absurdisme in. Ik heb een stap naast de werkelijkheid gefilmd. IJsland is in werkelijkheid nog vreemder dan in de film. Het hele binnenland ziet er uit als een maanlandschap, het was het oefenterrein van de astronauten in de jaren zestig, en kwade tongen beweren dat de maanlanding daar uiteindelijk ook is opgenomen."
Kári heeft een zwak voor dagelijkse absurditeiten, en dan ben je in een IJslands dorp aan het juiste adres. "Nói's vader is taxichauffeur, maar het dorp had in het echt helemaal geen taxi. Sterker nog, er is maar één verkeerslicht, en dat staat ook nog eens op een totaal onzinnige plek. Ik denk dat het er alleen is neergezet om te kunnen oefenen voor rijlessen. Gek word je ook van de politie. Op een dag reed ik met de cameraman naar een natuurmuseum in een ander dorpje en onderweg werden we aangehouden door de politie. Vervolgens handelde ik precies hetzelfde als Nói in dezelfde scène in de film: ik scheurde met mijn auto een sneeuwhelling op. Ik voerde zelfs precies dezelfde dialoog. In dit deel van het land word je continu aangehouden door de politie. Waarschijnlijk hebben ze niets beters te doen."

Mariska Graveland


Nói albinói

Fucking fjord

Nói albinói doet denken aan het werk van Jacques Tati, Aki Kaurismäki en Roy Andersson, waarbij vooral de sterke vertolking van debuterend acteur Tómas Lemarquis je bijblijft als een jongen van een andere planeet.

Rusteloze, dromerige Nói.

Het verhaal van de rusteloze, dromerige tiener die niets liever wil dan aan de lethargie van zijn geboortedorp ontsnappen, is vele malen eerder verteld. Johnny Depp gaf hem fijn gestalte in What's eating Gilbert Grape (1993), als de mooie jongen met de vlammend rode haren die na vele dramatische verwikkelingen in het gehucht Endora (populatie: 1091) de horizon tegemoet mocht treden, samen met het meisje van zijn dromen. Pure romantiek, natuurlijk, dit tienerportret van de van oorsprong Zweedse regisseur Lasse Hallström. Zijn jongere, Zweedse collega Lukas Moodysson zou Gilbert op zijn minst zoiets als 'Fucking Endora!' in de mond hebben gelegd.
De nog jongere IJslandse regisseur Dagur Kári is zich terdege bewust van het klassieke verhaal dat hij te vertellen heeft. Ook hij heeft geheel in stijl een gehucht opgezocht, maar hij dikt het verveelde fjordenbestaan van zijn zeventienjarige held Nói zo aan, dat er al snel sprake is van een tragikomedie. En dan in de letterlijke zin van het woord: Dagur Kári slaagt erin de komedie uit de tragedie te halen. Misschien zelfs wel een beetje zoals Jacques Tati die eveneens weinig woorden nodig had, soms alleen wat gemurmel, en die, in het verlengde van zijn komische helden uit de jaren twintig, van de 'sight gag' zijn levenswerk maakte.
Nói maakt zijn entree in een metershoog pak sneeuw. Met een schop moet hij zich een weg naar buiten banen. Dagur Kári filmt het zo, dat het onbegonnen werk lijkt. Het is het eerste teken dat de overweldigende natuur hem volledig in zijn grip heeft. Nói kan er wel van dromen om samen met het beeldschone meisje van het benzinestation te vluchten naar een ver en zonnig eiland met een palmenstrand en een ruisende zee, maar het fjord houdt hem, fysiek gezien, vast. Een bankoverval is in deze contreien ook zo absurd, dat de bankbediende hem er gewoon uit gooit. En als Nói in een gestolen wagen eindelijk op weg denkt te zijn, loopt hij binnen enkele meters weer vast.

Taperecorder
In de vertolking van debuterend acteur Tómas Lemarquis blijft Nói je bij als een jongen van een andere planeet. Regisseur Dagur Kári noemt hem in zijn feestelijke overdrijving en IJslandse rijmelarij een albino (Nói albinói), maar Nói is hoogstens wat wit. Vooral zijn kaalgeschoren hoofd en zijn uitpuilende ogen geven hem het aanzien van een buitenaards wezen.
In de schoolbanken verveelt Nói zich zo, dat hij ter vervanging van zichzelf een taperecorder neerzet. Het had door Tati verzonnen kunnen zijn. Tegelijkertijd herinnert Dagur Kári in zijn gortdroge, absurde scènes vaak aan het werk van zijn Scandinavische broeders Aki Kaurismäki en Roy Andersson die in het absurdisme eerder een poëtische kracht vonden. Dagur Kári tovert een wereld tevoorschijn die het realisme op een plezierige manier ontstijgt. Een wereld waarin tijdperken en seizoenen door elkaar spelen, waarin de geuren en kleuren van de jaren zeventig en tachtig mogen doorsijpelen en waarin de zelf vervaardigde soundtrack (van Dagur Kári's eigen band Slowblow) de opwinding over deze IJslandse eersteling completeert. De Tiger Award-jury in Rotterdam dit jaar zag het pijnlijk genoeg niet. Het was de jongerenjury die met de toekenning van de MovieZone Award het juiste werk deed.

Belinda van de Graaf

Nói albinói
IJsland/Denemarken/Engeland/Duitsland, 2003
Productie: Philippe Bober en Kim Magnusson
Scenario en regie: Dagur Kári
Camera: Rasmus Videbaek
Montage: Daniel Dencik
Art direction: Jón Steinar Ragnarsson
Muziek: Slowblow
Met: Tómas Lemarquis, Thröstur Leó Gunnarsson en Elín Hansdóttir
Kleur, 95 minuten
Distributie: Filmmuseum
Te zien: vanaf 11 september

Naar boven