September 2003, nr 247

Ongezien gezien: Jacques Tati

De pijnbank

Je kent ze wel, van die klassiekers die je eigenlijk had moeten zien, maar het kwam er niet van, of je had er niet zo'n zin in, en voor je het wist dacht je dat je ze al gezien had. In een reeks artikelen onderzoekt de Filmkrant de 'guilty omissions' van filmliefhebbers. Deze keer Playtime van Jacques Tati.

Playtime: Gevangenen van sociale codes.

Ik beken schuld. Zes films maakte Jacques Tati en tot nu had ik er twee gezien: Jour de fête en Mon oncle. Playtime niet en dat was, weet ik nu, dom. In Jour de fête en Mon oncle worstelt Tati's alter ego Monsieur Hulot met het moderne leven. Geestige films, die laten zien dat Tati zich zou hebben thuisgevoeld in de wereld van de zwijgende cinema. Zijn visuele grappen en grollen hadden bedacht kunnen zijn door Buster Keaton, Charlie Chaplin of Laurel en Hardy. Ook thematisch lijkt hij niet ver verwijderd van deze slapstick-helden: Chaplins Modern times ademt het nostalgisch-romantische verlangen naar de 'onschuldige' pre-industriële tijd, waarvan ook Jour de fête en Mon oncle zijn doortrokken. Wat moest ik ermee? De films zien als allegorieën van de eeuwige strijd tussen traditie en modernisering? Zeker voor Jour de fête zijn dat te grote woorden. Niets is dodelijker voor slapstick dan looiige analyses. Hoedt u voor wetenschappers die zich op komieken storten, want nooit zult u meer onbekommerd om hen kunnen lachen.
Mijn kennismaking met Tati was een genoegen - ik bewonderde zijn timing en precisie - maar na twee films meende ik zijn wereld te kennen. De andere vier films zouden, dacht ik, van hetzelfde laken een pak zijn: onbedwingbare nostalgie, voortkomend uit Tati's jeugd, want de man die zijn carrière begon als mimespeler in het varieté, werd in 1908 als Jacques Tatischeff geboren als zoon van een aristocratische Frans-Russische vader en Nederlandse moeder. Vast zo'n familie waarin stevig werd geklaagd over de gebrekkige manieren van Franse dienstmeisjes. U ziet: bij mij geen gebrek aan vooroordelen. Vooroordelen zijn er om onderuitgeschopt te worden, maar je kunt het lang uitstellen.

Alle hoeken
Toen ik hoorde dat het Filmmuseum een Tati-retrospectief zou presenteren, was 'oubollig' het woord dat in me opkwam. Kon men niets spannenders verzinnen? Wacht maar tot je Playtime hebt gezien, zeiden sommigen. De film staat te boek als Tati's meesterwerk. Een grootse komedie. Ik geef toe dat ik met scepsis de videoband in de recorder stopte. Video? Voor Tati-liefhebbers een regelrechte wandaad, want Playtime is gedraaid op 70mm. De mise-en-scène is toegesneden op het formaat: actie in alle hoeken. Tati heeft altijd geweigerd om de film naar 35mm over te zetten, ook al zorgde dat er mede voor dat Playtime flopte, want in 1967 telde Frankrijk weinig bioscopen die 70mm konden draaien. Het zegt veel over Tati, die elk compromis weigerde als het om zijn artistieke visie ging.
Maar laten we niet op de zaken vooruitlopen. Playtime begint met een lange scène in een grote, ondefinieerbare ruimte in een gebouw. Waar bevinden we ons? In de ontvangsruimte van een groot kantoor? De wachtruimte van een ziekenhuis? Fluistert dat oude echtpaar op een bankje over een operatie, die een van hen staat te wachten? Er lopen twee nonnen voorbij. Werken ze hier als verpleegsters? Kijk, daar loopt een vrouw met een baby. Ze komt vast van de kraamafdeling. Maar wat heeft die geüniformeerde man hier te zoeken? Even later registreert de camera door een grote glaswand de staart van een taxiënd vliegtuig. We zijn in de vertrekhal van Aeroport de Paris.

Staal en beton
Je kunt de scène zien als fopperij, maar hij stijgt er ver bovenuit. Welke filmmaker durft het publiek vanaf het eerste beeld te desoriënteren? De heersende opvatting schrijft voor dat de openingsscène een oriëntatiepunt moet zijn. In Hollywood spreekt men van het 'establishing shot': de opening moet houvast bieden. Tati doet het omgekeerde en bewijst daarmee zijn lef. Als het alleen maar lef was, zou het een gratuite provocatie zijn, maar de scène vat Tati's thematiek in een notendop samen. Het gaat hem om de fysieke en sociale armoede in de moderne samenleving. Waarom is er geen verschil tussen de wachtruimte in een ziekenhuis en de lobby van een kantoor? Playtime geeft het antwoord. De architectuur die inwisselbare gebouwen oplevert, weerspiegelt het streven naar anonimiteit, conformisme en uniformiteit. De film is een aanklacht tegen de functionalisering van menselijke betrekkingen. Met uitzondering van Hulot is iedereen in Playtime de gevangene van sociale codes. Alles wat een mens tot individu maakt, is weggepoetst. In de kille wereld van glas, staal en beton, die Tati in Parijs liet bouwen, is het sociale verkeer teruggebracht tot een rollenspel, waarin iedereen krampachtig 'in character' probeert te blijven. Het gaat om het ophouden van de schijn.
Tati verbeeldt het perfect in de scène, waarin een glazen deur van een chique restaurant sneuvelt. De portier vist de deurknop uit het glas en 'opent' als er gasten aankomen met de deurknop in zijn hand een luchtledige deur, want de schijn moet worden opgehouden. Wie de sociale codes niet beheerst, zoals Hulot, die ook letterlijk voortdurend lijkt te struikelen, zal altijd een outsider blijven. Met zijn degelijke schoenen, vale jas, onbestemde hoed, paraplu en pijp is hij een vreemde in deze wereld. Wat hem nekt in het sociale verkeer is zijn vermogen om zich te verwonderen. Zijn verbazing over design-kantoorstoelen plaatst hem buiten de moderne wereld, want daarin is conformisme het doel. Verwondering wordt niet op prijs gesteld.

Huishoudbeurzen
Misschien mist u de plot in dit verhaal. Ik moet u teleurstellen want Playtime vertelt geen conventioneel verhaal. De film volgt een dag in Parijs een internationaal gezelschap toeristen, dat meer geïnteresseerd is in winkels en huishoudbeurzen dan in musea en oude architectuur. Het levert geestige scènes op, zoals die waarin men zich vergaapt aan een vuilnisbak in de vorm van een Griekse zuil. Ook de stofzuiger met koplampen - handig voor donkere hoekjes - mag er zijn. Terwijl het gezelschap door de stad struint, heeft Hulot in een groot kantoor een afspraak met een 'belangrijke man'. Het leidt tot eindeloos wachten, maar tot een ontmoeting komt het niet, omdat de 'belangrijke man' dringender zaken aan zijn hoofd heeft. 's Avonds komt Hulot bij toeval in het restaurant terecht waar ook de toeristen eten. Het stijve decorum stort in als het plafond naar beneden valt: eindelijk een aanleiding om uit het sociale keurslijf te stappen. Men danst en bezat zich, maar de ontsnapping is van korte duur.
Hoe komt men erbij om Playtime een komedie te noemen? De film is een deprimerende satire op het moderne leven. We kunnen lachen om Tati's grappen en grollen, maar het is een onbehaaglijk lachen, omdat de film geen lachspiegel maar een gewone spiegel voorhoudt. Tati komt ons niet tegemoet met groteske personages, maar toont mensen die verdacht veel op ons lijken. Het maakt Playtime tot een confronterende ervaring: speel ik - misschien zelfs zonder het te beseffen - een even benauwende rol als deze personages? We begrijpen dat Playtime flopte: het 70mm-formaat speelde een rol, maar doorslaggevend moet de confrontatie met de kijker zijn geweest. Tati, die zijn carrière - oh bittere ironie - genekt zag worden door Playtime, legt ons meedogenloos op de pijnbank. Hoe doorsta ik de vertoning op 70mm?

Jos van der Burg

Jacques Tati
Het Filmmuseum in Amsterdam presenteert van 4 september tot en met 5 november Tati's complete oeuvre: de speelfilms Jour de fête (1949), Les vacances de M. Hulot (1953), Mon oncle (1958), Playtime (1967), Trafic (1971) en Parade (1974) en Tati's korte films. Het retrospectief wordt gecompleteerd met documentaires over Tati, een expositie en een lezing. Informatie: 020-5891400, www.filmmuseum.nl

Naar boven