Oktober 2003, nr 248

Tom Barman

Superheld met rugpijn

Met zijn speelfilmdebuut Any way the wind blows brengt de Vlaamse popster Tom Barman (voormalig voorman van dEUS) een van de opwindendste films van de lage landen van dit najaar. Een film over de wind, de stad en over kijken. "Het gaat om mensen die kijken naar mensen die kijken."

Tom Barman (foto: Louk Röell).

"De wind", zegt Tom Barman (1972) in een Antwerps café over zijn film Any way the wind blows waarin een Windman door de straten van zijn stad danst, "de wind staat voor veranderlijkheid, toeval en willekeur. Het is een onzichtbare kracht die we wel voelen maar niet zien. Vanaf het moment dat ik wist dat ik een speelfilm wilde maken, wist ik dat het, zoals de Fransen zeggen, een 'film fleuve' moest worden. 'Antwerp is the city of wind and music' zei een Iraanse vriendin toen ik haar over mijn plannen vertelde. Dat heb ik direct genoteerd. Het vat in het kort mijn film wel samen."
"Je moet de wind in mijn film niet alleen letterlijk nemen. Hij staat ook voor de grilligheid van de menselijke natuur, voor de manier waarop de personages beslissingen nemen. Bovendien heeft een begrip als de wind ook een soort poëtische algemeenheid die mij bevalt. De titel is ontleend aan een nummer van J.J. Cale, dat ik goed bij de sfeer van de film vond passen, al is het er uiteindelijk niet in terechtgekomen."

Schwung
Meer rock 'n' roll moest zijn speelfilmdebuut in de Vlaamse cinema brengen, zo citeerde de Belgische pers voormalig dEUS-voorman Tom Barman gretig. Het festivalpubliek en de Vlaamse bioscoopgangers waren het er deze zomer over eens. Any way the wind blows bracht met zijn mozaïek-vertelling over acht Antwerpenaren tussen de twintig en de veertig swing en schwung in de filmzalen. De film is nu geselecteerd om het onderdeel 'Vlaams panorama' van het Nederlands Film Festival te openen en gaat daarna uit in de Nederlandse filmtheaters.
"Inderdaad, ik miste de rock 'n' roll in de Vlaamse cinema", zegt Barman nu over zijn provocerende uitspraak." Maar dat moet je wel een beetje nuanceren. Het feit dat de pers daarop gevlogen is, zegt veel over de vermoeidheid die hier opgetreden is. Ik heb er altijd op gewezen dat er in Vlaanderen en Wallonië heel mooie films worden gemaakt. Mijn vertrekpunt was echter dat ik de laatste twintig jaar al te zelden door een Vlaamse film ben meegesleept. Dat ik zelden een film zag waarin ik mij kon herkennen. Al te vaak wordt er een somber beeld van Vlaanderen geschetst. En ik miste de humor. Mij hoor je niet zeggen dat de Belgische film waardeloos is. Ik zal echt niet schijten op mijn eigen nest. Maar ik miste iets met flair en durf.
"De personages had ik alle acht op een dag. En toen begon de misère. Ik ben gaan schrijven en puzzelen en draadjes bij elkaar gaan voegen. Maar het moest ook weer niet allemaal té af en té kloppend worden. De hoofdpersonen zijn combinaties van mensen die ik ken en mensen die ik heb waargenomen. Maar ik heb ook een aantal rollen op de huid van de acteurs geschreven, zoals voor Dirk Roofthooft en Natali Broods, zonder dat ik overigens nog wist of ze ze zouden spelen. Wat mij het meeste interesseert als ik om me heen kijk zijn de kleine dingen, de kleine voorvallen. Dat soort observaties hebben me het meeste gestimuleerd tijdens het schrijven. Ik had meer moeite met het in de gaten houden van de verhaallijnen, dan met de dialogen en de losse scènes.
"Wat je ziet is dat alle mensen in de film heel fysiek aanwezig zijn. Ze zitten vast, ze bewegen, ze zitten klem, ze dansen, hun nek wordt gekraakt, zoals bij de Windman. Die Windman is gebaseerd op een stripfiguur die ik in de schoolbanken tekende. Ik ben een grote fan van slapstick. Ik ben een van die slechte karakters die lacht als iemand op z'n bek valt en het hardste lacht als ik zelf op m'n bek ga. Daarom zie je mij in sommige scènes ook zelf op de achtergrond struikelen. Ik wilde een film maken over gewone mensen. Daar hoort stunteligheid bij. Dus als ik een stripfiguur opvoer, een soort superheld als de Windman neerzet, dan moet hij rugpijn kunnen hebben. Hij is een superheld die z'n dag niet heeft. Hij is zowel getuige als oorzaak, maar hij is wel realistisch. Ik heb geen zin in fantastische verhalen. Ik hou het meeste van realistische personages en stripfiguren, zoals Guust Flater." Guust Flater? "Ja, daar herken ik me zeer in."

Postkaartengedoe
"De gebeurtenissen in de film zijn allemaal heel klein. Daarom was mijn ambitie heel groot. Het is een ensemblefilm waarin geen moorden worden gepleegd en geen doden vallen. Hij gaat over kleine inconsequenties die meer zeggen dan het grote gebaar. Het zijn allemaal heel gewone mensen, en ik heb er ook extra op gelet dat ze dat zijn gebleven. Ik kan geen film maken over de arbeidersklasse of de hogere aristocratie. Daar kom ik niet uit. Ik heb dit deel van de maatschappij gekend. Deze mensen met deze dromen.
"Geforceerde hipheid en schoonheid heb ik willen vermijden. Daarom heb ik ook niet in het historische centrum van Antwerpen gefilmd. Dan krijg je van dat postkaartengedoe. Ik heb in mijn eigen buurt gefilmd, rondom de Opera. Ik laat graag de schoonheid van de minder mooie buurten zien. Het heeft hier iets ruws, iets kapots. Andere sectoren van de stad vind ik veel te sjiek.
"De openingsscène met de Windman in de voetgangerstunnel onder de Schelde is onvermijdelijk. Die locatie is een klassieker voor films die in Antwerpen worden gedraaid. Het is er tochtig en geheimzinnig. Mijn cameraman kwam op het idee om daar de letters van de titels op de Windman af te laten komen. Hij zei: 'Antwerpen is een stad die beweegt.' Dat gebeurt ook met de mensen in de film: de stad en de dingen komen op ze af.
"Voorafgaande aan het draaien had ik het misverstand de wereld in geholpen dat we heel snel moesten werken, omdat we niet veel budget hadden. Ik had de acteurs erop voorbereid dat ik niet precies zou gaan aangeven waar ze naar links en rechts zouden moeten lopen. We dachten dat we met vier à vijf takes per shot wel klaar zouden zijn. Daar kwamen we na de eerste draaidag wel van terug. Ik zat soms nog te tikken op de set. Ik reageer goed op crisissituaties, al zeg ik het zelf. Ik kan heel goed iets uitstellen als ik weet dat de deadline nog ver weg is. Dan houd je nog ruimte over voor het leven om erdoor te waaien. Het is stomvervelend als alles vastligt. Bovendien weet je niet van tevoren hoe mensen op sommige situaties zullen reageren. De figuranten niet, en de acteurs niet. Uiteindelijk zijn alle scènes wel helemaal uitgeschreven. Ik vergat soms dat de acteurs de teksten nog van buiten moesten leren. Dan gaf ik ze een velletje papier en zei ik: 'Zullen we nu gaan draaien?' En juist omdat het in deze film gaat om de kleine dingen, kwam ik erachter dat ze wél goed moesten zitten. Dus we zaten al snel op 10 tot 25 takes. En ik zei precies wanneer ze naar links en rechts zouden moeten lopen. Ik zei niet op z'n Kubrickiaans: 'Dat was goed, we doen er nog eentje.' Nee, ik zei: 'Dat was niet goed en wel hier en hier en hier om, dus we doen er nog eentje.'
"Ik vertrouw tijdens het filmen heel erg op mijn intuïtie. Je moet enthousiast blijven en geprikkeld kunnen blijven worden. Dat doe je door zeer goed voorbereid te zijn en de luxe voor jezelf te creëren om te kunnen improviseren. Dat is ook de manier waarop Robert Altman en John Cassavetes volgens mij werken. Ze benaderen Hollywoodacteurs met een vorm van psychologisch realisme, waardoor hun prestaties vitaal en dreigend worden. Je zult ze in hun films altijd net iets meer zien doen. Bij Dirk heb ik bijvoorbeeld zijn donkerte en perversiteit eruit gehaald, zonder dat dat gepaard gaat met een uitbundige manier van tieren en roepen. Hij is een linke vent geworden."

Willekeur
"Het was voor mij heel belangrijk dat de film in het Antwerps gedraaid zou worden en in de dialecten van West-Vlaanderen. Ik wilde de souplesse die meestal met de Engelse taal wordt geassocieerd in het Vlaamse dialect steken. Zelfs de Hollanders zijn veel verbaler dan de Vlamingen. Als je iemand op de televisie vanaf een Amsterdamse markt hoort praten dan komen er hele volzinnen uit. Als je iemand hier op de Keyserlei een vraag stelt, dan volgen er veel 'eh's' en 'ah's' en veel herhalingen. Mensen zoeken veel meer naar woorden. Ik hou van dialecten, weer om de kleine nuances en de kleine verschillen. Als je in het Antwerps zegt dat je iets beu bent, dan ben je iets moe. In Gent, zo'n 40 kilometer verderop betekent beu zijn dat je slecht geluimd bent.
"De dialoogscènes waren voor mij heel belangrijk. Met name het tempo is cruciaal. We hebben denk ik de meeste takes opnieuw gedaan om de 'eh's' en de 'ah's' op de juiste plaats te laten vallen.
"De lange feestscène aan het einde, die veel mensen te uitgebreid vinden, was een ambitie op zich. Ik wilde een sexy, geloofwaardig, zat en rokerig feest brengen. Ook daar heerst de willekeur. Zo is het leven in de stad. Het is soms idioot dat je met mensen in de stad alleen maar oogcontact hebt en dat je pas in het buitenland een gesprek met ze kunt voeren.
"Dat zit letterlijk in de film. Het kijken naar mensen die kijken naar mensen. Zo hoop je een stukje van jezelf te ontdekken. Het kijken naar mensen is een fijne, voyeuristische bezigheid. Maar pas als je kijkt naar hun reacties kom je iets over ze te weten. Door het kijken naar het kijken heb je een dramatische situatie. Ja, dat is mooi gezegd. Zo had ik het nog niet bekeken."

Dana Linssen


Any way the wind blows

Swingend stadsportret

In Any way the wind blows hinkelt de camera gedurende een zwoele dag en nacht tussen de levens van acht Antwerpenaren. De enorm swingende ensemblefilm zit vol met humor en sterk acteerwerk.

Toen Tom Barman een paar jaar geleden op de Rotterdamse Cinemart liep te leuren met zijn filmproject, luidde de titel nog Vrijdag, vrijdagavond. Dat heeft hij in de uiteindelijke versie ingeruild voor Any way the wind blows omdat het anders "te veel als een Franse praatfilm zou klinken". En dat is Barmans debuut dus zeker niet. Maar verder is die tijdsaanduiding een prima dekkende vlag voor dit Vlaamse filmportret.
In Any way the wind blows hinkelt de camera gedurende een zwoele dag en nacht tussen de levens van acht Antwerpenaren. Een mislukt schrijver gaat boekhandels af om te ontdekken dat zijn boeken zijn verramsjd. Een dj-ende filmoperateur kampt met relationele en professionele tegenslag. Twee posterplakkers met jaren tachtig-obsessie zitten vast in de details van hun nietszeggendheid. Een claustrofobische galeriehouder drijft windhandel. Een computerexpert worstelt met haar eigen saaiheid. Een jonge kunstenaar steelt een dodelijk virus uit een laboratorium. Een styliste leidt aan het is-dit-alles-gevoel. Het wervelende fenomeen Windman danst de liefde tegemoet. En dan is er in deze Altman-achtige mozaïekvertelling nog een negende personage: de stad Antwerpen. Zonder ook maar een moment chauvinistisch of truttig te worden brengt de film een ode aan de stad die al sinds een jaar of wat bekend staat als de Vlaamse hoofdstad van de pop en mode. En die nu dus ook als filmstad op de kaart is gezet.

Messcherp
Any way the wind blows zit barstensvol filmische en persoonlijke grapjes. Zo speelt een mobiele telefoon een melodietje van dEUS, een subtiele verwijzing naar Barmans roemruchte rockverleden. Collecterende agenten citeren het adagium 'Art should raise questions' van conceptualist Bruce Nauman. Er wordt gerefereerd aan John Carpenters cultfilm Assault on precinct 13. En in de openingsscène loopt Windman op funky jaren zeventig-tonen door een voetgangerstunnel zoals Pam Greer dat in
Jackie Brown doet.
Any way the wind blows heeft sowieso veel weg van een Tarantino-film - zonder overigens in slaafs epigonisme te vervallen. De ijzersterke soundtrack die het hele spectrum tussen Bach en drum 'n' bass bestrijkt, levert tegelijkertijd decor en commentaar. De dialogen zijn razendsnel, messcherp en vaak gekruid met een stevige dosis absurdisme. De meeste oneliners zijn bijzonder raak, sommige zijn diepzinnig, andere hilarisch. En de - vaak onbekende - acteurs brengen ze met een natuurlijkheid die verfrissend is. Barman maakt daarbij handig gebruik van een staalkaart aan Vlaamse dialecten om de schakering van persoonlijkheden en verhalen nog iets verder te accentueren.
Nu is dit debuut niet helemaal perfect. De speelduur had iets korter gekund dan de meer dan twee uur die er nu staan. Vooral de sleutelscène waarin alle personages samenkomen op een in drank en drugs ondergedompeld feest - een kruising tussen Blake Edwards' The party en The rules of attraction - had korter gekund. Hier verliest de regisseur zich in visuele krachtpatserij met topshots en slowmotion.
Maar het wordt hem direct vergeven. Want Any way the wind blows is met stip een van de leukste producties die het Nederlandse taalgebied de afgelopen jaren heeft voortgebracht.

Edo Dijksterhuis

Any way the wind blows
België, 2003
Productie: Kaat Camerlynck, Alex Stockman, Christian Pierre
Regie en scenario: Tom Barman
Camera: Renaat Lambeets
Montage: Els Voorspoels
Art direction: Johan van Essche, Catherine van Bree
Muziek: Charles Mingus, Squarepusher, J.S. Bach
Met: Frank Vercruyssen, Diane de Belder, Eric Kloeck, Natali Broods, Matthias Schoenarts
Kleur, 127 minuten
Distributie: Bright Angel
Te zien: op het Nederlands Film Festival en vanaf 2 oktober

Naar boven