September 2004, nr 258

Cool

Kut-Marokkaantjes en andere Titaantjes

Theo van Gogh en vormingsdrama, wie had dat ooit gedacht? Laat dat 'vormings' dus maar weg bij Cool, de eerste film over kut-Marokkaantjes die dreigen op het rechte pad te raken, gemaakt op initiatief van de Glen Mills-instelling voor jeugdzorg.

Uitgekotst.

Ongeveer een jaar geleden werd Theo van Gogh via zijn producent benaderd met de vraag of hij een film zou willen maken over de Glen Mills School in Wezep, onderdeel van de Hoenderloo-groep voor jeugdzorg en onderwijs. Een tehuis voor moeilijk opvoedbare jongens zeg maar, kut-Marokkaantjes, randdebielen, ontspoorde idioten en jeugdige Al Capone's die nog net niet rijp zijn voor de jeugdgevangenis. Uitgekotst, naar de marge gedwongen, maar ook moedwillig in de misdaad beland. Heel gewone jongens eigenlijk, moderne Titaantjes, sommigen zelfs met een gouden hartje, maar wel van die types die je toch maar liever niet op straat wilt tegen komen, omdat ze zich altijd in groepjes voortbewegen, je mobiele telefoon uit je handen rukken, de buurtsuper terroriseren en ach, waarom dan maar niet eens een overvalletje geprobeerd?
De Hoenderloo-groep vroeg Van Gogh omdat hij de minst verdachte Nederlandse filmmaker is als het om politieke correctheid gaat, althans waar het Van Gogh als publieke persoon, als columnist betreft. Iedereen die wel eens een aflevering van de tv-serie 'Najib & Julia' heeft gezien, de Romeo en Julia van de Schilderswijk en het Statenkwartier, weet dat zijn hoofddoel als filmmaker iets anders moet zijn. Natuurlijk, een beetje stangen op zijn tijd, daar is hij niet vies van. Ook in zijn Glen Mills-film Cool zitten weer tal van terzijdes die er ogenschijnlijk met de haren zijn bijgesleept: politieagenten die op de ene computer bewakingsvideo's bekijken en op de andere pornosites bezoeken, Rob Oudkerk-grappen, verstokte rokers, Gerrit Zalm die het loodje legt, een lijntje cocaïne waarvan iedereen zich dan weer kan gaan afvragen of het 'echt' is - en zag ik het goed dat Albert Verlinde in de tussentijd ook nog even tot roze gestencilde varieté-artiest werd gedegradeerd?

Machinaties
Sinds de komst van de digitale videocamera en zijn niet aflatende gesteggel met het Filmfonds over de financiering van zijn projecten, is Theo van Gogh begonnen een ander soort films te maken. Het lijkt wel alsof hij alles terzijde heeft geschoven wat maar af kan leiden van zijn eigenlijke interesse: de machinaties van mensen. Mooi eigenlijk dat dat woord wat allerlei heimelijke gedragpatronen van mensen aanduidt, ook het woord machine in zich draagt, alsof achterbaks gedrag machinaal in de menselijke natuur ingebakken zit. Van Gogh heeft besloten dat hij voor een goede film niet heel erg veel meer nodig heeft dan een handvol (steengoede) acteurs (ik blijf moeite houden met het nuffige spel van Katja Schuurman, al is het in Cool waarschijnlijk beter dan ooit op zijn plaats).
Plot, locaties, belichting, montage, en zelfs het budget, het mag rammelen, snel zijn, gehaast, als het maar gulzig ten dienste staat van het spel tussen mensen. Het spel wordt in Cool door getrainde acteurs gespeeld én door de pupillen van de Glen Mills-school. Misschien spelen zij zichzelf. Van Gogh en scenaristen Theodor Holman en Gijs van de Westelaken waren in ieder geval zo slim om hun personages andere namen te geven dan de jongens door wie zij gespeeld worden. Als een soort gesublimeerde 'method'-acteurs zullen zij ongetwijfeld meer dan hun professionele collega's te rade zijn gegaan bij hun eigen ervaringen.
Maar Cool gaat gelukkig niet over de vraag in hoeverre de film echt gebeurd is. Cool wil op een andere manier realistisch en waarachtig zijn. De film roept een tamelijk uniek gevoel van authenticiteit op. Niks geen jaren zeventig vormingsdrama waarin jeugdige delinquenten via een rollenspel een beter inzicht in hun eigen gedragspatronen verkrijgen. De instelling mag dat misschien wel willen en zelfs hebben nagestreefd met het verlenen van deze opdracht, het eindresultaat is een woeste duik in de belevingswereld van autochtone en allochtone rotzakjes, romantische en hardvochtige manieren om ze op het rechte pad te krijgen, het erotische karakter van het bendeleven. Een beetje als de raps, ook door de Glenn Mills'ers gemaakt, die veelvuldig door de film heen gestrooid zitten. Soms rijmen ze krom, soms swingen ze, soms geven ze een rake observatie, dan weer zijn ze banaal of grappig of slaan ze helemaal nergens op.

Leugendetector
Theo van Gogh is de man van de close-up. In de close-up is alles waar en beangstigend en fascinerend tegelijk. Een acteur kan niet liegen in close-up, want elke spiertrekking wordt levensgroot vastgelegd, als een ultieme leugendetector. Cool is niet een film van afstand of van reflectie, hij knalt in je gezicht. Intimideert soms. Onttrekt zich daarmee ook aan een klassieke beoordeling, want de gezochte subtiliteiten moet je zelf maar invullen.
Eigenlijk is het reuze jammer dat er om deze film zoveel te doen is. Als de politiek a-correcte Michael Moore van de lage landen verlustigd Theo van Gogh zich in relletjes met Pathé dat de film omwille van complottheorieën of gebrek aan commercialiteit (
zie daarvoor de Geruchtenmachine van deze Filmkrant) niet zou willen vertonen. Ik denk dat Cool als het straatvechtende broertje van Shouf shouf habibi! best potentie heeft voor een allochtoon publiek. Voor een breed publiek sowieso. Maar misschien kan hij dat alleen via een Van Goghiaanse survival of the fittest bereiken.

Dana Linssen

Cool
Nederland, 2004
Productie: Gijs van de Westelaken
Regie: Theo van Gogh
Scenario: Theodor Holman, Gijs van de Westlaken
Camera: Thomas Kist
Montage: Merel Notten
Art direction: Ruud van Dijk, Jan Rutgers
Muziek: Rainer Hensel en de rappers Ismail Osman, David Klijn, Myshomar Paesch e.a.
Met: Fouad Mourigh, Farhane el Hamchaoui, Katja Schuurman, Johnny de Mol
Kleur, 89 minuten
Distributie: A-Film
Te zien: vanaf 16 september en op Film by the Sea

Naar boven