Februari 2006, nr 274

White Light

Het opium van het volk

White Light heet het programma op het Filmfestival Rotterdam dat hallucinante films in alle soorten en maten vertoont. De filmkijker is de verslaafde, de regisseur is zijn dealer.

Yaji and Kita - The midnight pilgrims.

Een artikel over drugsfilms mag best met koffie beginnen. Een scène uit Claire Denis' Nénette et Boni (1996), een van de meest erotische dromen uit de filmgeschiedenis. Allerlei vage, vleeskleurige vormen droomt de jongen Boni, terwijl de soundtrack zich vult met zacht maar daarom niet minder wellustig gekreun. En dan komt het mooiste: terwijl de droom teneinde loopt en het beeld scherp stelt, gaat het mensengekreun langzaam over in een pruttelend koffiezetapparaat.
Soms, zo laat Denis zien en horen, is niets zo zalig en sexy als verse koffie. Iedereen die koffieverslaafd is weet dat, maar het komt slechts zelden voor dat een film het verleidelijke karakter van koffie zo plastisch maakt. Dan lijken de andere drugs - sterke drank, paddestoelen en alles wat je tot verslavens toe kunt roken, slikken, spuiten en snuiven - veel cinegenieker te zijn. Of eenvoudigweg veel spannender dan een goedje dat iedereen vanaf zijn puberteit gewoon thuis aan de keukentafel kan nuttigen, en dat met spaarzegels en al in de schappen van de supermarkt staat. Zijn de filmische koppen koffie aan één rek te tellen, wekenlange marathons vallen er samen te stellen rond de manier waarop sigaretten in films de man en vrouw maken, over hoe filmijsklontjes tinkelen in whiskyglazen - of hoe de score, deal, trip en cold turkey telkens weer met alle mogelijke middelen tot pure cinema worden verheven.
De pillen, poeders en in het geniep gedestilleerde plantenextracten die voor verdoving, verlichting en verderf zorgen, krijgen dit Filmfestival Rotterdam een eigen nis. Want in het rijtje seks, drugs, rock 'n roll hoort film zonder meer thuis, vindt festivalprogrammeur Gertjan Zuilhof, de man achter het programma White Light. Wat is volgens hem dan een echte drugsfilm? Eentje die zich onderdompelt in het rokerige milieu van dealers en verslaafden, met om de zoveel tijd een close-up van een cocaïnespiegeltje, crackgezicht of opgezette ader? Of doet een drugsfilm eerder alsof hij zelf gedrogeerd is, doordat hij het perspectief aanneemt van zijn hallucinerende personages en dus ruim baan schenkt aan de meest uitzinnig vormgegeven hersenspinsels? Zie je in een drugsfilm wat de gevolgen van een verslaving zijn, of voel je dat eerder van binnenuit? En in hoeverre is het dan je eigen verbeelding die feestviert, en niet die van de regisseur?

Gifwolken
Het festivalprogramma White Light, genoemd naar een lied en album van The Velvet Underground, toont zowel de pushers en de spuiters als de visioenen van gelukzaligheid waar het uiteindelijk toch om te doen is. 'Ja, en dat moet rug aan rug: de vloeiende verbeelding en de rip deal', schreef Zuilhof in zijn weblog toen hij over White Light begon na te denken, en aan dat uitgangspunt heeft hij zich gehouden. Stapels aan fictie en experimentele films omvat het programma, en geen stap wordt overgeslagen - van het rollen van een jointje tot een overdosis.
Voordat je je overgeeft aan marginale figuren die zich met hun arm alvast afgebonden door duistere steegjes naar ranzige achterafkamers slepen, kun je heel simpel en risicoloos beginnen met vloeistofdia's. Of met het minstens zo zinsbegoochelende werk van John Price: geen psychotische personages in deze films, geen criminaliteit en boven gasbranders borrelende eetlepels, enkel korte, handgemaakte flikkeringen van ver voorbij de regenboog. Bij uitstek geschikt voor een gedrogeerd publiek, vindt Price zelf. Nog meer volstrekt onschadelijke maar daarom niet minder heftige trips bieden de films van Jordan Belson: eerder bonte gifwolken dan regenbogen, surreële landschappen gezien door een waterbeslagen raam - of wat je al dan niet stoned ook maar aan dromerige, wilde, idiote en kosmische associaties kunt krijgen bij deze sferenmuziek en noorderlichtjes op celluloid en video.
Het mooie van zulke associaties is dat ze ook echt de jouwe zijn - omdat niemand anders de films van Price of Belson op dezelfde manier ziet als jij. Misschien ziet je buurman wel paddestoelen in plaats van gifwolken. Dat hebben 'abstracte' films dan toch altijd voor op speelfilms: de meeste in een speelfilm verwerkte hallucinatiesequenties zijn in de eerste plaats de hallucinaties van het personage dat net gebruikt heeft en nu opgaat in de zeer persoonlijke wereld van zijn geest. Híj ziet Boeings rondrazen als roofvogels (Easy rider), het behang waterig bewegen (Fear and loathing in Las Vegas), terwijl coke klaar ligt in lijntjes zo lang als een treinrails (Life is a miracle); híj is het die door de wc-pot wegkruipt (Trainspotting), op de vlucht voor die enge, mensenhappende koelkast (Requiem for a dream). Stuk voor stuk beelden die eigenlijk te bizar zijn voor woorden, maar waar je zelf niets voor hoeft te doen om ze te zien - behalve zitten en je ogen open houden. De film legt ze als het ware voor je klaar, en al eet je ze op, al maak je ze eigen en krijg je die wc-pot of Boeing-roofvogel nooit meer uit je hoofd, elke hallucinatie blijft hoe dan ook het hersenspinsel van een personage en hoe dan ook het creatieve eigendom van de filmmakers. En zo kan hun verbeeldingskracht die van de toeschouwer beteugelen in plaats van prikkelen.

Lendendoeken
Want werkelijk - wat valt er nog toe te voegen aan een film als Kudo Kankuro's Yaji and Kita - The midnight pilgrims? Wordt de klassieke Japanse roman 'Tokkaidochu hizakurige' uit 1802 al zeer vrijzinnig omgebogen tot de tragische romance van twee samoeraihomo's, zodra een van hen zijn blauw-witte capsules gaat slikken kent ook dat verhaal geen grenzen meer. Het zwart-wit wast zich technicolor-bont, achter de papieren wanden van het traditionele Japanse huis staat opeens de motor uit Easy rider (1969) terwijl de gewichtige dialoog nu eens gehiphopt en dan weer gekaraookt worden (wie de Japanse tekst kan lezen zingt vrolijk mee). Volop dansjes in groepsverband, frivool gedoe met lendendoeken, injectiewonden die uitzweren tot pratende hoofden, en als een van de personages zich niet in de film herkent, spoelen we de hele boel toch gewoon weer terug. En dan is er altijd nog een roze olifant op lange knekelige Dali-poten om het verhaaltje uit te blazen - als dat recht tenminste niet blijft voorbehouden aan de reuzin die in het donker de rivier Styx bij elkaar huilt en af en toe een flink stinkende orkaanwind laat. Intussen zingt een geisha zo vals dat de berg Fuji zich schaamtevol in mist hult.
Om slechts een greep te doen uit deze charmante chaos. Je rent ervan weg of laat hem ademloos over je heen komen. Wil je toch ook je eigen fantasie een kans gunnen, probeer dan telkens iets te bedenken dat zelfs voor deze film te idioot of hallucinant is. Een wedstrijd die je niet snel zult winnen, behalve misschien na het genot van wat kopjes geestverruimende groene thee.
Dat je eigen mentale creativiteit wordt buitengesloten spreekt voor zich bij films die eerder confronterend dan stimulerend willen zijn, zoals Dead time van Steve Sangue Dolce. 'The events that you will hear are true', kondigt een tussentitel niet voor niets aan: een handvol (ex)verslaafden vertelt onomwonden hoe en waarom hun levens door drugs werden opgevreten en uitgekotst, terwijl de op verbrokkeld 8 mm geschoten beelden die woorden koortsachtig volgen. Altijd wel overbelicht, bekrast, ingekleurd of gereduceerd tot een pulserend schimmenspel, openbaart elk shot de dode tijd en ruimte waarin de personages zich als zombies voortslepen. En alles spuwt vuur, van een overvliegend passagiersvliegtuig tot een rij zonnebloemen. Films over drugsgebruik en verslaving, zo blijkt weer eens, kunnen of willen vaak nauwelijks afstand nemen van hun onderwerp. De kleuren verschieten of verhevigen juist, de lampen gaan niet meer aan of schijnen tien keer zo hard, de camera wankelt, de soundtrack kraakt en buldert - en soms duurt die trip wel anderhalf of twee uur lang.
Zelfs de aftiteling kan er raar van gaan doen. Lopen de credits van The midnight pilgrims van links naar rechts, die van het verbijsterend mooie en diep deprimerende Dealer gaan van boven naar beneden. De afgrond in, zoals het hoofdpersonage, een mountainbikende dealer in een of ander grauw Hongaars gat, die aan het eind langzaam door het donker wordt opgeslokt. Hij heeft dan eindelijk zelf een shot gezet, nadat je hem dik 120 minuten lang van de ene treurige deal naar de andere hebt zien fietsen. Die transacties worden getoond in eindeloze takes à la Béla Tarr (die net als David Lynch, Portishead en Bret Easton Ellis in de credits wordt bedankt), de camera als een gier cirkelend om de deerniswekkende personages. Op de soundtrack blaast continu een kille wind. Ook zo kun je de dode tijd tastbaar maken.

Bloeddoorlopen
Wellicht is de cinema sowieso het enige medium dat dit werkelijk kan. Niet alleen dankzij haar alsmaar uitdijende technische uitrusting, maar vooral dankzij haar karakter. Film op zijn best is verdovend als heroïne (anderhalf uur van de wereld), stimulerend als amfetamine (net als Peter Fonda en Dennis Hopper door Amerika willen crossen) en hallucinogeen als een paddo (vol hoogtevrees verliefd op een reuzengorilla - als dat geen trip is). Als toeschouwer ben je meer dan bereid je aan deze werkingen over te geven, en sta je dus automatisch enkele stappen dichter bij de junk en zijn vreemde wereld.
En misschien bén je als filmtoeschouwer ook wel een junk. Niet dat je dat direct merkt, want wie kijkt dezelfde film elke dag tien keer omdat hij daartoe gedwongen wordt door lichaam en ziel? Maar toch, valt een film in de smaak dan ga je al snel om 'meer van hetzelfde' of 'nog beters' vragen. Een filmfestival als dat van Rotterdam teert op die verslaving. Kijk maar naar die bloeddoorlopen ogen en lijkwitte gezichten, en luister maar naar die gesprekken - film, film en nog eens film. De een kan niet zonder grootstedelijke Angst in Taiwan, de ander niet zonder Oost-Europese modderplassen. Cinema is de opium, wiet en LSD van het volk.
Zijn filmtoeschouwers junks, dan zijn regisseurs hun dealers. Nicholas Winding Refn is er zeker zo eentje. Hij gaf het Deense publiek met Pusher (1996) en Bleeder (1999) precies het flitsende spul waar het op zat te wachten. Hij werkte zichzelf en zijn producer vervolgens in een grandioos faillissement met de arthousethriller Fear X (2003). Hij leerde zijn lesje en zette zichzelf weer op de kaart met de in één ruk (prik/snuif) gemaakte sequels Pusher 2 en 3 (2004/2005). Het zijn even gewelddadige als briljant gemaakte inkijkjes in de door Serviërs en Albanezen beheerste drugswereld van Kopenhagen, samen en apart te bekijken op het Filmfestival Rotterdam.
Ook te zien is Phie Ambo's spannende documentaire Gambler, over het bijzonder moeizame financieringsproces dat aan de twee vervolgfilms van Pusher vooraf ging. Voortdurend hangt regisseur Refn over de rand van een zenuwinzinking, steeds verder vervreemdend van zijn echtgenote en kind, zichzelf staande houdend met bruistabletten. Én met zijn passie voor film. Al heeft hij geen cent meer te makken, toch kan hij in de merchandisewinkel van zijn vriend die ene poster van Violent city (1970) niet laten liggen. Een van zijn lievelingsfilms, en heeft er zowel de Deense, Italiaanse als Amerikaanse poster van, de VHS, de laserdisc en binnenkort ook de dvd.
Goddank dat de beste filmdealers ook zelf fataal verslaafd zijn.

Kevin Toma

Naar boven