Mei 2008, nr 299

3x Parijs

Het hart van de stad

Parijs speelt de hoofdrol in drie films deze maand. In le ballon rouge, een pre-Nouvelle vague kinderfilm waarin een rode ballon boven de lichtstad danst. In le voyage du ballon rouge, Hou Hsiao-hsiens liefdevolle ode aan die film. En in paris, waarin Cédric Klapisch nog steeds naar het hart van zijn stad zoekt.

3x Parijs: le ballon rouge, le voyage du ballon rouge en paris.


Een man kijkt uit over de stad. In de straten beneden voltrekt zich het leven. Natuurlijk opent de nieuwste film van Cédric Klapisch met een panoramashot van de stad die erin bezongen wordt: Parijs. De man door wiens ogen wij even kijken is historicus, hij staat op de Eiffeltoren en weet in één oogopslag weer alles van het verleden, maar voor het heden heeft hij een soort omgekeerde hoogtevrees. Als hij omhoog kijkt, is de top nog heel ver weg. Het duizelt hem. Hij weet niet hoe te leven. In die angstige duizeling dwarrelen we voor de voeten van Juliette Binoche neer. Zij wijst haar kinderen op de historische highlights van hun stad. "Kijk daar. Dat is de Sacre Coeur. En daar de Tour Montparnasse. En dat? Wat is dat?" Het 'muniverse'?, probeert er eentje. "Nee", zegt hun moeder, "het universum is overal." En dan vervolgen we onze duikvlucht waar alle films die zich in Parijs afspelen (en die daarom onherroepelijk films óver Parijs zijn) het patent op lijken te hebben. Eén zo'n royale camerazwenk en in één blik weten we alles, alles van de mannen en de vrouwen en de straatvegers en de baguetteverkoopsters - en we zweven, glijden, drijven diep het duister van een echofoto in. Het pulseert in wit en zwart. "Hier, dit is uw hart", zegt de arts. "En dat daar is het centrum van uw hart. Het hart van het hart zo u wilt. Dichterbij kunnen we niet komen."

Slentertocht
paris is een film over Parijs, zoals Cédric Klapisch ze in navolging van de filmmakers van de Nouvelle vague graag maakt: op straat, associatief, met het ritme van zijn voetstappen en de logica van een wandeling. Klapisch zet zich aan de haast onmogelijke taak om in een stad zonder hart (Parijs bestaat uit tientallen quartiers met ieder hun eigen karakter) het hart te vinden. De clichés over Parijs worden daarbij niet gespaard, en blijven de toeschouwer ook niet bespaard, evenals wat al bijna zijn eigen cliché geworden is: de rizomatische (een heterogene, niet-hiërarchische) structuur van zowel de stad Parijs als zijn eigen films daarover.
Het slenteren (en slempen!) is zo eigen aan alle films over Parijs, dat je meestal vergeet hoe veel er in films in/uit/over de Franse hoofdstad wordt gelopen. Misschien alleen weer als we er door de ogen van een 'vreemde' naar kijken, zoals de Taiwanese filmregisseur Hou Hsiao-hsien die er op uitnodiging van het Musée d'Orsay een film kwam draaien. Het werd een hommage aan le ballon rouge van Albert Lamorisse, een kinderklassieker over de bijzondere vriendschap tussen een jongetje en een rode ballon. Hel-gerestaureerd toert die nu door de Nederlandse filmtheaters. Een must!
Hou incorporeerde dat verhaal in een complexere vertelling (maar dat ziet er bij hem altijd zo virtuoos-terloops uit alsof hij zomaar een beetje aan het filmen is geslagen), waarin tijd en traditie, Oost en West, film en theater, analoge beelden (schilderijen) en digitale beelden (computerspelletjes) elkaar ontmoeten. Steeds is de melancholie voelbaar van de enorme vrijheid tussen de wolken die wij tweevoeters nooit zullen proeven.

Extatisch
paris is gecentreerd rondom een man (Romain Duris voor de zesde keer het alter ego van regisseur Klapisch) die op een donorhart wacht. Een film lang neemt hij afscheid van zijn oude leven, want als zijn hart er niet meer is, is híj er dan nog wel, verdwijnt Parijs met zijn leven? In het extatische eindshot durft hij voor het eerst omhoog te kijken.
Dat spel met hoog en laag, extreme perspectieven, kenmerkt ook le ballon rouge en Hou's le voyage du ballon rouge, waarin de ballon zich als een ziel van de aarde losmaakt en de zwaartekracht der mensen op kan heffen. Bij Hou gaat dat trouwens een stuk minder deftig metaforisch dan bij Lamorisse, die het symbool van de figuurlijke dood net zoals in paris veel sterker beklemtoont. De rode ballon van Hou is de plagerige god van de cinema, die verleidt en betovert, maar waar uiteindelijk de onzichtbare handen van de 'poppenspeler' (ook in deze film weer present, net als in zijn puppetmaster uit 1993) aan de touwtjes trekken. Hou Hsiao-hsien is denk ik de enige regisseur die een scène kan draaien waarin de 'blauwe', later digitaal weg te poetsen 'marionettenspeler' die de ballon bespeelt gewoon zichtbaar blijft, terwijl je als toeschouwer toch het gevoel hebt naar iets heel mysterieus te kijken. Zo mysterieus eigenlijk, dat het heel vanzelfsprekend is.
Net als Parijs.
Een stad om nooit helemaal te begrijpen.
Alsof 's nachts de plattegrond zelf uit wandelen gaat.

Dana Linssen

le ballon rouge (Albert Lamorisse, Frankrijk, 1956, 34 minuten, distributie: Cinéart Nederland, te zien: vanaf heden)
le voyage du ballon rouge (Hou Hsiao-hsien, Frankrijk, 2007, 113 minuten, distributie: Filmmuseum, te zien: vanaf 1 mei)
paris (Cédric Klapisch, Frankrijk, 2008, 130 minuten, distributie: Cinéart Nederland, te zien: vanaf 15 mei)


Hou Hsiao-hsien over le voyage du ballon rouge

De Taiwanese grootmeester Hou Hsiao-hsien ging naar Parijs om een film te maken over een schilderij. Het werd een film over een andere film - de klassieker le ballon rouge - en het schilderij vond hij er gelukkig ook nog bij, vertelde hij vorig jaar aan de Filmkrant in Cannes.

Hou Hsiao-hsien op het Filmfestival Rotterdam 2008. (foto: Angelique van Woerkom).

Nadat hij voor zijn Ozu-hommage café lumière (2004) naar Tokio trok is de Taiwanese filmmaker Hou Hsiao-hsien filmisch reislustig geworden. Hij had nooit gedacht dat hij dat kon, een vreemde stad filmen, op dezelfde manier als hij altijd mensen filmt die in andere culturen en landen leven, vertelde hij vorig jaar aan de Filmkrant in Cannes, daags na de première van zijn Parijse film le voyage du ballon rouge. Maar eigenlijk is er niet zo'n verschil tussen hoe mensen in Taiwan en elders in de wereld denken en leven, ontdekte hij. En ook niet in de manier waarop hij dat filmen kan: "Ik ben gewoon op dezelfde manier begonnen als altijd, met het zoeken naar heel specifieke locaties en details. Pas als ik die heb kan ik echt met het scenario beginnen."
In dit geval speelt Hou een beetje vals. Want le voyage du ballon rouge ontstond niet uit een wandeling door een stad, uit een zoektocht naar veelbetekenende plekken, maar uit de vraag van het Parijse Musée d'Orsay om ter gelegenheid van de 20ste verjaardag van het museum een film te maken waarin het museum figureerde. "Geen traditionele opdrachtfilm", beklemtoont Hou. "Het museum hoefde niet centraal te staan, als er maar een verwijzing naar de collectie in zat, of er even een schilderij in voorkwam. En het was de bedoeling dat het een serie van korte films zou worden, maar omdat ik met een compleet filmplan kwam, was geloof ik het budget in één keer op."

Naar buiten
In plaats van door Parijs te lopen, doorliep Hou vanuit Taipei eerst de geschiedenis van de stad, van de kunstenaars die er leefden en werkten en de kunstwerken waarin de stad figureerde. Een van de boeken die hij las, 'Paris to the moon', een verzameling reiscolumns die de Canadese essayist Adam Gopnik voor The New Yorker schreef, inspireerde hem in het bijzonder, "omdat hij de stad vanuit de ogen van een buitenstaander, maar vooral vanuit het perspectief van kinderen beschreef. Er staat een schat aan informatie in over hoe en waar kinderen in die immense stad speelden. Dat is ook allemaal in de film terechtgekomen."
Zo ontdekte hij ook de klassieke kinderfilm le ballon rouge (1956) van Albert Lamorisse, een sprookjesachtige film over de vriendschap tussen een jongetje en een rode ballon. "Maar het is niet alleen maar een sprookje", vindt Hou. "Het is ook een heel realistische film, over hoe de stad er na de Tweede Wereldoorlog uitzag, over hoe het jongetje naar buiten moet, de gereguleerde maatschappij uit, om te kunnen spelen. Hij heeft veel vrijheid, maar die vrijheid moet hij buiten de gebruikelijke kaders veroveren. Daarom is het ook een heel melancholische film."
Toen eenmaal was besloten om, net zoals hij voor café lumière met de Japanse filmmaker Yasujiro Ozu had gedaan, een soort hommage aan de film van Lamorisse te brengen, moest het Musée d'Orsay nog in de film. Hou lacht: "Ik heb ze gevraagd of ze een schilderij met een rode ballon hadden. En zowaar, ze hadden er één in de collectie, 'Le ballon' van Félix Vallotton uit 1899, net uit de begindagen van de cinema dus . Het was uitgeleend voor een tentoonstelling in New York, maar ze zijn erin geslaagd om het voor het draaien één dag langer in het museum te houden. Ze hebben het zelfs speciaal opgehangen, want normaliter staat het in het depot."

Voetsporen
Zo ontstond langzamerhand het verhaal over Simon, een hedendaags Frans jongetje dat net als zijn verre neefje van een halve eeuw geleden door Parijs dwaalt met in zijn voetsporen een rode ballon. Het gaf Hou en zijn vaste cameraman Mark Lee Ping Bing een uitgelezen kans om de stad te filmen als een plek waar tijd en traditie naadloos in elkaar overlopen. Net als Oost en West overigens, want niet alleen heeft Simon een Chinese au pair, die tevens filmstudente is en die zijn gids door de stad en de Franse geschiedenis wordt, ook werkt Simons moeder Suzanne (een verrukkelijk plat-komische hoogblonde Juliette Binoche) als poppenspeelster met een Chinese marionettenspeler. Hou: "Dat is een klassiek poppenspel dat in Taiwan nog heel veel wordt opgevoerd. Het deed me altijd een beetje denken aan Truffaut, omdat het ook over zulke koppige doorzetters gaat. En een beetje zoals Suzanne zelf, doorgaan, doorgaan, doorgaan, maar wel verloren in een oceaan van emoties."

Dana Linssen

Naar boven